Wat weten we wel en niet over hybride leren?

Er is een special issue van Learning and Instruction specifiek over hybride leren, het combineren van face-to-face leren met online technologie. Het inleidende artikel van Gaëlle Molinari en collega’s vat mooi samen wat we wel en niet weten uit de nog jonge onderzoekstak rond hybride leren.

Eerst even afbakenen, wat bedoelen de onderzoekers hier met hybride leren? Het gaat in dit geval specifiek om synchronous hybrid education. Dit betekent dat sommige studenten fysiek aanwezig zijn, terwijl anderen op hetzelfde moment online deelnemen aan dezelfde leeractiviteiten. Dat is dus iets anders dan blended learning, waarbij online en fysiek onderwijs elkaar bijvoorbeeld afwisselen.

Een eerste belangrijke conclusie is misschien dat we hybride leren niet simpelweg moeten zien als gewoon onderwijs met een camera erbij. Wat er gebeurt, wordt bepaald door een combinatie van technologie, ruimte, didactiek en sociale interactie. En dit kan behoorlijk wat verschil maken.

Wat weten we ondertussen?

Een van de duidelijkste bevindingen is dat hybride lesgeven behoorlijk wat vraagt van leraren. Ze moeten tegelijk aandacht besteden aan studenten in het lokaal en studenten online, terwijl ze ook de technologie en de leeractiviteiten moeten managen. Onderzoekers spreken daarom over de teacher orchestration load. Opvallend: deze belasting blijkt niet alleen cognitief, maar ook emotioneel te zijn. Technische problemen, weinig betrokken studenten en een gebrek aan ondersteuning kunnen deze belasting vergroten. Ervaring met de technologie en goede technische en didactische ondersteuning kunnen dit net verminderen.

Ervaring lijkt trouwens sowieso ook hier te helpen. Leraren met meer structurele ervaring met hybride onderwijs gebruiken technologie op een meer geavanceerde manier en rapporteren vaker constructieve leeractiviteiten. Maar ook voor hen blijft het een uitdaging om online en fysiek aanwezige studenten echt tot één groep te laten samenwerken.

Dat laatste zien we ook bij studenten. In een van de studies namen fysiek aanwezige studenten vaker het woord, terwijl online studenten minder makkelijk participeerden. Iets dat ik ook herken van hybride vergaderingen, trouwens. Interessant is wel dat die online studenten soms langere en meer taakgerichte bijdragen leverden. Groepen ontwikkelden bovendien zelf oplossingen, bijvoorbeeld door camera’s te verplaatsen zodat online deelnemers beter betrokken werden.

Een andere studie vond een vergelijkbare participatiekloof. Zonder extra ondersteuning droegen online studenten minder vaak en minder lang bij dan hun fysiek aanwezige groepsgenoten. Pogingen om dat met extra scripts en reflectie-opdrachten op te lossen leverden nog geen overtuigende resultaten op. Op groepsniveau zijn er wel aanwijzingen dat ondersteuning de kloof wat kleiner kan maken.

Mocht je nu denken dat hybride samenwerking per definitie slechter is, dan is dit ook zeker niet het geval . In een experiment met 180 studenten vonden onderzoekers geen significante verschillen tussen volledig fysieke, volledig online en hybride groepen in participatie of de kwaliteit van de interactie zoals beoordeeld door observatoren. Ook de kwaliteit van het gezamenlijke eindproduct verschilde niet significant. Belangrijk te beseffen is dat de motivatie waarom voor hybride gekozen wordt, erg kan verschillen. Denk bijvoorbeeld aan Bednet.

En wat weten we nog niet?

We weten natuurlijk nooit alles, maar hier is nog behoorlijk veel nauwelijks onderzocht. De auteurs benadrukken zelf dat dit onderzoeksgebied nog jong is. Veel studies zijn klein of onderzoeken slechts één activiteit of bijeenkomst. Bovendien is veel van het onderzoek tot nu toe in het hoger onderwijs uitgevoerd. We weten veel minder over andere onderwijsniveaus en over wat er gebeurt wanneer studenten en leraren maandenlang in dergelijke hybride omgevingen werken.

Ook is nog onvoldoende duidelijk welke combinaties van technologie, groepsgrootte, opdrachten en ondersteuning het beste werken. Hetzelfde geldt voor effecten op leerprestaties, motivatie, welbevinden, verbondenheid en relaties. De auteurs pleiten daarom onder andere voor grotere en meer diverse steekproeven, replicaties en longitudinaal onderzoek in echte onderwijssettings.

Misschien weten we ondertussen vooral dat de vraag “werkt hybride leren?” te eenvoudig is. Hybride leren is geen interventie die je zomaar tegenover klassikaal onderwijs kunt zetten. De studies in dit special issue laten alvast zien dat hybride leren niet noodzakelijk tot slechtere samenwerking leidt. Maar gelijke deelname ontstaat niet vanzelf.

Geef een reactie