Ik schreef al eerder deze week dat multimodaal leren kan werken. En ook voor het leren van een vreemde taal weten we al langer dat het kan helpen om niet alleen het woord en de vertaling te horen, maar ook bijvoorbeeld een afbeelding te zien of een gebaar te maken. Maar wat helpt nu beter? Is het vooral de combinatie van verschillende informatiebronnen, of zit er een extra voordeel in bijvoorbeeld het bewegen zelf?
Een nieuwe studie van Paula Johnstone en collega’s in Learning and Instruction bekeek deze vragen. De onderzoekers wilden daarbij ook weten of eerdere positieve resultaten voor gebaren overeind blijven wanneer leerlingen bijvoorbeeld minder intensief oefenen. Veel eerder onderzoek gebruikte namelijk tientallen herhalingen per woord, iets wat in een onderwijscontext niet altijd even realistisch is, zoals wellicht te veel taalleerkrachten zullen herkennen…
Aan het onderzoek namen 52 Duitstalige studenten uit lerarenopleidingen deel. Ze leerden 24 woorden uit een kunstmatige taal: twaalf concrete en twaalf abstracte woorden. Ieder woord kwam tien keer aan bod, verspreid over vijf dagen.
De studenten kregen de woorden op drie manieren aangeleerd. In de eerste conditie hoorden de deelnemers alleen het vreemde woord en de Duitse vertaling. In de tweede kregen ze daar een relevante afbeelding bij. En in de derde zagen ze een relevant gebaar en voerden ze dit gebaar ook zelf uit. Welke woorden met welke conditie werd aangeboden, verschilde tussen de studenten.
Vervolgens werd getest hoeveel ze na acht dagen, twee maanden en zes maanden nog wisten. De onderzoekers gebruikten daarvoor drie verschillende tests: vrije reproductie, vertalen van de moedertaal naar de nieuwe taal en omgekeerd.
De eerste uitkomst is duidelijk: zowel afbeeldingen als gebaren hielpen bij het onthouden. Maar interessant genoeg gold dat vooral voor abstracte woorden. Voor concrete woorden vonden de onderzoekers geen significante verschillen tussen de drie condities.
De effecten voor abstracte woorden waren ook niet verwaarloosbaar. Bij vrije reproductie bedroeg het verschil met alleen luisteren bijvoorbeeld d = .50 voor gebaren en d = .60 voor afbeeldingen. Ook bij de vertaaltests vonden de onderzoekers vergelijkbare voordelen.
Maar misschien nog interessanter: zelf gebaren maken leverde geen extra voordeel op ten opzichte van het zien van een afbeelding. Dat verschil was op geen van de drie meetmomenten significant.
Spontaan dacht ik dat 52 deelnemers een te kleine steekproef is om dergelijke verschillen te vinden. Maar, nee, dat lijkt hier niet de meest waarschijnlijke verklaring. Ten eerste doorliep iedere deelnemer alle condities, waardoor deelnemers als hun eigen controle konden dienen. De onderzoekers hadden bovendien vooraf berekend dat 52 deelnemers ongeveer 81,5% power zou geven om een effect van ongeveer d = .33 te detecteren.
Nog belangrijker is dat ze aanvullende Bayesiaanse analyses uitvoerden. Die leverden sterke evidentie dat het verschil tussen gebaren en afbeeldingen kleiner was dan wat de onderzoekers vooraf als een praktisch relevant verschil hadden bepaald. Het gaat hier dus niet simpelweg om het ontbreken van een statistisch significant resultaat.
Betekent dit dat gebaren geen meerwaarde kunnen hebben? Nee. Eerder onderzoek waarin woorden veel vaker werden geoefend, vond soms wel een voordeel van gebaren tegenover afbeeldingen. Het kan dus zijn dat de specifieke motorische meerwaarde pas ontstaat na veel meer oefening en herhaling.
De studie heeft uiteraard beperkingen. Verschillende kon je al afleiden uit wat ik hierboven beschreef. Even op een rijtje:
- De deelnemers waren 52 jongvolwassen studenten,
- Ze leerden kunstmatige woorden
- Nog niet vermeld: alles werd auditief aangeboden en mondeling getest.
Omwille van dat laatste waarschuwen de auteurs daarom zelf dat we niet zomaar weten of de resultaten gelden voor geschreven woordenschat of andere leercontexten.
Toch levert dit onderzoek een interessante nuance op. Bij een beperkte hoeveelheid oefening lijkt voor het leren van vreemde woordenschat multimodale ondersteuning belangrijker dan de motorische component op zich. Een relevante afbeelding kan dan evenveel opleveren als het daadwerkelijk uitvoeren van een gebaar. En geef toe dat dit ook een handig inzicht is voor de klaspraktijk. Een afbeelding tonen lijkt me doorgaans een stuk eenvoudiger dan een hele klas herhaaldelijk gebaren te laten uitvoeren.