Gisteren bleek uit het eerste deel van deze reeks dat de toekomst van de school divers en stedelijk is. Mensen met kinderen in de stad weten dit al een pak langer, want je kind zomaar in een school in Antwerpen of Gent inschrijven is al lang niet meer zo evident. In Brussel bleken er op 1 september 1500 kinderen geen plaatsje op school gevonden te hebben.
Een deel van de beleidsnota van minister Crevits zal daarom noodgedwongen over capaciteitsuitbreiding moeten gaan, iets waar haar voorganger Pascal Smet ook 5 jaar mee geworsteld heeft.
Maar… scholen bijbouwen in een stad kan soms moeilijker zijn dan je denkt. Waar veel mensen samen leven, is net plaats vaak een schaars goed.
Moet je dan gaan voor grote scholen, kleine scholen of iets daartussen?
Eerst en vooral er bestaat wel degelijk onderzoek naar optimale schoolgrootte, waarbij de ondergrens te maken heeft met kansen op professionalisering en bijvoorbeeld vakgroepwerking (in het secundair onderwijs) en de bovengrens met het vermijden van anonimiteit (zie ook Hattie, 2009).
Als er momenteel door de politiek voor schaalvergroting gepleit wordt, heeft dit vaak te maken met het kunnen aanbieden van een ruim aanbod (campusscholen), of om zo er voor te zorgen dat beginnende leerkrachten binnen 1 school kunnen blijven of om een professionalisering van het schoolbestuur mogelijk te maken (alhoewel dit ook geen zekerheid biedt voor kwaliteitsverbetering).
Voor het concept van brede scholen is ook een bepaalde schoolgrootte wellicht aangewezen. Scholen die als multifunctionele gebouwen geconcipieerd worden die ook voor muzieklessen, avondschool, sportklassen, enzovoort gebruikt kunnen worden hebben een zekere grootte nodig. Tegelijkertijd zijn die scholen best niet te groot als je de ouders door de breedte meer bij de school wil proberen te betrekken. Dit laatste heeft volgens mij echter meer te maken met de houding en visie van de school dan de infrastructuur, alhoewel de infrastructuur het wel mogelijk moet maken om ouders makkelijk te ontvangen. En dan kan het een goed idee zijn om bijvoorbeeld een babbelbox voor ouders te organiseren.
Essentieel bij een brede school is de link met de buurt. Basisscholen zullen daarom wellicht best een pak kleiner zijn dan secundaire scholen. Al kan dit ook een gevaar inhouden. Is de buurt homogeen qua populatie, dan wordt de school als pure buurtschool logischerwijs ook homogener qua instroom en zou je bijna moeten aanvaarden dat er witte of zwarte scholen zijn. Wil je de school heterogener, dan kan het zijn dat de school (iets) minder een band met de buurt moet nastreven (en waarbij er dan ook gekeken moet worden naar mobiliteit).
Grote campusscholen zullen vaak noodgedwongen naar de buitenrand van de stad moeten trekken gewoon vanwege de plaats en daardoor de link met de buurt verliezen, maar met als voordeel dat hier een sociale mix misschien meer kan gepromoot worden. De voorbije jaren zagen we ook dat rond bijvoorbeeld Gent bepaalde scholen in de rand aan populariteit (nog) wonnen, alhoewel hier ook mobiliteit (naast tal van andere redenen) een rol meespelen.
Toch is er iets te zeggen om zelfs secundaire scholen kleiner én in de stad te houden. In Nederland spreekt men ondertussen eerder over defusies, specifiek voor vakscholen. Maar het zou ook mogelijks positief kunnen zijn voor moeilijk te bereiken leerlingen. Een project in NY waarbij leerlingen random naar grote dan wel kleinere secundaire scholen mochten gaan, toonde dat de leerlingen van de kleinere scholen minder afwezig waren op school en meer doorstroomden naar hoger onderwijs ongeacht hun sociale achtergrond. En dat met soms maar 200 leerlingen in de secundaire school, dus echt een pak kleiner dan Hattie aanbeveelt. De valkuil van te kleine scholen werd voorkomen door professionalisering bovenschools bijvoorbeeld digitaal te regelen. Het voordeel van deze kleine grootte is dat scholen dan ook makkelijker een plaatsje binnen de stad kunnen vinden. De stad als speeltuin?
Mensen die deze blog al wat langer volgen, zullen wellicht weten dat ik zelf een eerder koele minnaar ben van schaalvergroting, maar ik heb bewust geprobeerd in deze blogpost vooral mee te geven welke elementen meespelen in de keuze voor kleinere, gemiddelde of grotere scholen in de stad. Het gaat dan eerder over linken met de buurt, ruimte van het aanbod, werkzekerheid voor het personeel, beter doorstromen van moeilijker te bereiken doelgroepen, enzovoort. En ook het belang van plaats of plaatsgebrek in deze.
Wetenschap en onderwijsdenkers kunnen dan enkel maar die voor- en nadelen meegeven. Beleid is alle mogelijke voor- en nadelen tegenover elkaar afwegen en dan keuzes maken.
P.S.: 2 weken geleden was ik aanwezig bij de bekendmaking van de eerste 4 change maker schools van Ashoka België waarbij opvallend 3 stedelijke scholen verkozen waren (naast 1 school die gebaseerd was op het principe van de scouts). Een consensus onder de winnaars en mezelf was dat er op veel scholen al veel goeds gebeurd en dat zij maar een voorbeeld waren van good practices.
Helder artikel. Ook voor de NL-situatie herkenbaar. Of er een optimale schoolgrootte bestaat, betwijfel ik, daarvoor spelen te veel contextfactoren een rol.
Er zijn de afgelopen jaren enkele interessante metastudies gedaan in NL:
– Dr. Hans Luyten (Ed.). School size effects revisited. A qualitative and quantitative review of the research evidence in primary and secondary education. NWO Den Haag 2013.
– CAOP-rapport Stijgend ziekteverzuim in het primair onderwijs. Onderzoek naar oorzaken en maatregelen. Den Haag 2012
– Dr.M.I. Deunk en dr.S.Doolaard. Onderwijs in kleine scholen. Een systematische review naar de effecten van kleine scholen op leerlingen, leerkrachten, de school en de lokale omgeving. Univ.Groningen, 2014.
– Ministerie van OCenW. Krimpbestendige onderwijskwaliteit regio-onderzoek in zuid-nederland naar de gevolgen van krimp. Den Haag 2012. P. 4. http://www.onderwijsinspectie.nl/binaries/content/assets/Onderwijsverslagen/2014/onderwijsverslag-2012-2013.pdf
Heel erg bedankt voor de aanvulling!
Pingback: De week van de stad… en onderwijs | X, Y of Einstein?