Gisteren verscheen Education at a Glance 2013 van de OESO en voor cijferliefhebbers (zoals u en ik), is dit fantastisch nieuws, maar landen vergelijken is vaak moeilijker dan je denkt. Een voorbeeld: als je kijkt naar de fiches die per land gemaakt worden, dan heb je voor België een probleem. Er bestaat echter geen ‘Belgisch’ onderwijs, omdat elke gemeenschap zijn eigen onderwijs organiseert. Het Vlaamse onderwijs en het Franstalige onderwijs verschilt op essentiële punten en daarom zijn de conclusies interessant maar relatief onbruikbaar. Het prijskaartje bijvoorbeeld wordt nationaal gekeken, maar hier vermoed ik op zijn minst subtiele verschillen? Bij het salaris vind je een onderscheid en blijkt er een klein verschil te bestaan met leerkrachten die in Vlaanderen iets meer verdienen dan hun Franstalige collega’s. De prijs van leerkrachten per leerling blijkt in Vlaanderen voor de jongere jaren van het secundair onderwijs het hoogst te zijn, maar hier is nuance op zijn plaats. Veel landen kenden bijvoorbeeld geen buitengewoon onderwijs zoals wij dat kennen en dat men een behoorlijk prijskaartje komt.
In het ruimer werk vind je wel regelmatig een van de 2 grootste taalgemeenschappen apart vermeld. Zo blijkt Vlaanderen het niet slecht te doen met studenten die starten in het hoger onderwijs en minstens een diploma behalen, namelijk net boven het OESO-gemiddelde van 70% in een leuk groepje met FInland, Turkije en Duitsland, waarbij de kloof tussen het groter aandeel vrouwen en het kleinere aandeel mannen opvalt. Verder blijkt de klasgrootte in Franstalig België iets kleiner te zijn dan het OESO-gemiddelde (in die grafiek geen Vlaamse cijfers), maar tegelijk zijn de klassen in heel België een pak kleiner. Je zou kunnen besluiten dat de klassen in Vlaanderen dus zeer klein zijn, maar ook hier is nuance op zijn plaats, zoals BULO in het lager onderwijs. Sommige richtingen in het secundair onderwijs ook hebben bijvoorbeeld effectief zeer kleine klasjes. Ik zag zelf al bijvoorbeeld regelmatig BSO-klasjes met 4 leerlingen die die specifieke opleiding volgen. Las naar aanleiding van een vorige publicatie de ruwe conclusie dat we de kleinste klassen van Europa hebben in het secundair onderwijs, waarop terecht veel leerkrachten boos reageerden dat ze dan wel graag die klassen zouden willen zien. Het gevaar van gemiddelden dus.
Het is een greep uit een paar nuances en dan nog deze die ik zelf kon bedenken bij het bekijken van onze cijfers. Dergelijke nuances zijn voor veel regio’s en landen te maken. Dit maakt het vergelijken van onderwijssystemen enerzijds zeer moeilijk, anderzijds zeer boeiend.
Oja, voor mensen die nog steeds twijfels over rol van diploma’s, nog steeds blijk je in de OESO-landen gemiddeld 57% meer te verdienen met een hoger-onderwijs-diploma…
P.D.B. stelt terecht dat we aparte cijfers nodig hebben voor Vlaanderen. De waarheid over het Vlaams onderwijs heeft ook zijn rechten.
Amper 10% leerlingen zonder einddiploma versus alarmerende ‘ongekwalificeerde uitstroom’ volgens Masterplan.
De Leuvense onderzoeker Georges Van Landeghem stelde op de recente studiedag van 5 juni: “het percentage uitstromers zonder diploma hoger secundair onderwijs ligt nu al een stukje onder de Europese streefnorm van 10%.” Niet minder dan 8% lager ook dan de Canadese provincie Ontario (18%) waarnaar Smet de voorbije maanden als ‘model’land naar verwees. Dit is één van de conclusies uit het Leuvens onderzoek. Niet minder dan 90% van de leerlingen behalen dus het einddiploma secundair onderwijs. Buiten de grootsteden ligt dit percentage nog een flink stuk hoger. Op de boco-studiedag hierover van 21 november 2012 relativeerde ook prof. Jan Van Damme het fenomeen van de ‘ongekwalificeerde uitstroom’: “We moeten goed opletten met cijfers”, aldus Van Damme. “Het probleem van de jongeren zonder diploma of getuigschrift doet zich vooral in het bso voor, en vooral bij jongens. 7% van de jongeren zonder einddiploma zijn ook leerlingen uit het buitengewoon onderwijs, van wie er een aantal nu eenmaal niet in staat zijn om zelfs de aan hen aangepaste kwalificaties 3 en 4 te behalen. Anderzijds moet men ook oog hebben voor leerlingen die op wat latere leeftijd wel nog inspanningen doen – op school of via tweedekansonderwijs e.d. – om toch nog een kwalificatie te bekomen.”
Tijdens het parlementair actualiteitsdebat over het masterplan werd dezelfde dag de hoge ongekwalificeerde uitstroom als hét grote knelpunt en als legitimatie voor radicale hervormingen vooropgesteld. Het masterplan, minister-president Kris Peeters, Kathleen Helsen ( CD&V), Elisabeth Meuleman (Groen) … pakten hierbij ook uit met alarmerende getallen: “Minstens 42.000 leerlingen s.o. zullen nooit een diploma behalen.” Meuleman voegde er aan toe: “extreem hoge uitstoom, zonder perspectief op beterschap”. Die jongeren zouden reddeloos verloren zijn. Dezelfde avond stelde ook mede-onderhandelaar Dirk Van Damme dit zo dramatisch voor. De OESO-expert gewaagde van “de beruchte 15 % (!) ongekwalificeerde uitstroom waardoor duizenden leerlingen op de arbeidsmarkt zouden terecht komen zonder kwalificatie”. In een Knack-bijdrage van 12 juni lazen we met een beroep op dezelfde Van Damme: “Een kleine twintig procent van de leerlingen behaalt geen diploma. Voor die groep werkt het huidig systeem gewoon niet goed’. Tom Demeyer (‘onderwijsexpert’ VOKA) twitterde op 8 mei: “18% ongekwalificeerde uitstroom! Dat is bijna 1 op 5 jongeren zonder diploma”. Raymonda Verdyck (chef GO!) beantwoordde die tendentieuze tweet instemmend met:: “Veel jongeren stromen inderdaad ongekwalificeerd uit, daarvan moeten we wakker liggen.” De voorbije jaren was er in de kranten en in andere media voortdurend sprake van 1 op 6, 15 % …Tijdens de Panorama-uitzending over de hervorming van 7 maart lamenteerde ook Bieke De Fraine over de ongekwalificeerde uitstroom.
De waarheid luidt dat er niet minder dan 90% van de leerlingen het s.o. met een einddiploma verlaten. De 10% ongekwalificeerde uitstroom. Ook in de overheidspublicatie VRIND van 2009 lazen we al: “Vlaanderen haalt vandaag al de Europese norm van maximaal 10% jongeren die zonder diploma hoger secundair onderwijs uitstromen en behoort daarmee tot de Europese koplopers.
In de meeste landen bedraagt dit gemiddeld 24%.” Onderzoeker Van Landeghem wees tegelijk op een opvallend verschil tussen jongens en meisjes en tussen centrumsteden en het platteland. Voor grote steden als Brussel pieken de cijfers tot 20 à 30%. Het aantal schommelt dus tussen minder dan 5% en 30%. De conclusie is dat er zich een zeer heterogene situatie voordoet met hoge lokale concentraties. Dit alleen al wijst op het feit dat dit fenomeen weinig of niets te maken heeft met de onderwijsstructuur die overal dezelfde is. De pieken in de grootsteden en op een aantal plaatsen hebben veel te maken met de grootstelijke problematiek en/of met het grote aantal anderstalige leerlingen.
De situatie in de grootsteden is totaal verschillend van deze in doorsnee-scholen – tot 6 maal meer – maar de hervormers en de meeste onderzoekers maken met opzet geen onderscheid. Van Landeghem concludeerde: “De conclusie is dat er zich een zeer heterogene situatie voordoet met hoge lokale concentraties van de problematiek.” Hij stelde voor te focussen op lokale initiatieven en een monitoringbeleid dat obstakels kan wegwerken, bijvoorbeeld tussen het secundair onderwijs en het volwassenenonderwijs, het tweedekansencircuit, bedrijven e.a. om ook leerlingen die met soms twee of drie jaar vertraging binnenstappen in het secundair onderwijs toch een studieperspectief te bieden dat naar een werkplaats kan leiden. Kristof De Witte (KULeuven) stelde op die studiedag dat de universiteit van Maastricht berekend had dat het zomaar willen volledig wegwerken van het ‘vroegtijdig school verlaten’ in Nederland door ze langer te doen studeren e.d. niet minder dan 574 miljoen euro per jaar zou kosten. Het heeft uiteraard geen zin om b.v. leerlingen te verplichten naar school te gaan tot ze een einddiploma bekomen hebben.
Het hoge aantal leerlingen met een diploma eind s.o. wijst dus op de vlotte doorstroming binnen onze gedifferentieerde structuur, vlotter dan in landen met een (gemeenschappelijke) middenschool. In functie van de legitimering van radicale hervormingen probeert men echter de brave burgers van het tegendeel te overtuigen. Pure stemmingmakerij. We tillen ook zwaar aan het feit dat OESO-man Dirk Van Damme op 5 juni in Terzake lamenteerde over 15%, niettegenstaande hij goed weet dat het 10% is, het getal dat overigens ook in het Masterplan vermeld staat. De burgers werden ook misleid door het feit dat het Masterplan en de sprekers tijdens het actualiteitsdebat uitpakten met het fameuze getal van 42.000 leerlingen die ongekwalificeerd uitstromen. In feite zijn er per jaar maar een 7.000, maar omdat dit te weinig indruk maakt, spreekt men in het masterplan over 42.000. Dit is 10% van het totale aantal leerlingen dat momenteel het s.o. bevolkt, maar dit laatste wordt er niet expliciet bij vertelt.
Vlaamse beleidsmakers, onderwijssociologen onderwijskoepels … belazeren al jaren de burgers met kwakkels over zittenblijven, ongekwalificeerde uitstroom, sociale discriminatie. In het Masterplan is dit eens te meer het geval. Wij zijn bijna de enigen die al vele jaren een proteststem lieten horen. Met Onderwijskrant sturen we ons protest tegen die vele kwakkels al jaren naar de volksvertegenwoordigers, de politieke partijen, de onderwijskoepels …Ze blijven maar de kwakkels over de hoge ongekwalificeerde uitstroom verder verspreiden, net zoals ze al 20 jaar stellen dat we kampioen zittenblijven zijn. De onheilsprofeten vragen zich uiteraard nog minder af hoe het komt dat we meer gediplomeerden hebben dan in andere landen. De kwakkels over ongekwalificeerde uitstroom, zittenblijven, sociale discriminatie … zijn een aanloop voor het prediken van de verlossing uit al die ellende, van radicale hervormingen.
In Nederland wordt de tendentieuze term ‘ongekwalificeerde uitstroom’ overigens niet gebruikt. De leerlingen zonder einddiploma zijn immers allesbehalve ongekwalificeerd. Ze beschikken over heel wat kwalificaties en competenties, maar kregen hier jammer genoeg geen certificaten voor. Deze leerlingen zijn ook niet reddeloos verloren. Een aantal stoppen hun studies omdat ze werk gevonden hebben en niet langer naar school willen; sommigen behalen later nog zo’n kwalificatie via tweedekans-, volwassenenonderwijs, centrale examencommissie e.d. Een deel behoort later zelfs tot de hoogste inkomensgroepen. Voor een deel van die leerlingen was het zomaar verlengen van de leerplicht tot 18 jaar van het duo Coens-Monard een slechte zaak. De beleidsmakers, de SERV, het ACW, de onderwijskoepels legden destijds alle kritiek – ook deze van senator Roger Windels – naast zich neer. Die verlenging bemoeilijkte ook de samenwerking met de kmo’s, met het bedrijfsleven, met Syntra … Maar hier zwijgt het masterplan over.
Het Masterplan stelt dat volgens ‘Vlaanderen in Actie’ het aantal schoolverlaters zonder diploma in 2020 gehalveerd moet zijn. Als oplossing wordt o.a. het toekennen van certificaten voor verworven competenties voorgesteld. Dat moest inderdaad allang het geval geweest zijn. Vroeger beschikten die leerlingen ook over een getuigschrift lager secundair onderwijs. Met deze maatregel geeft het masterplan wel impliciet toe dat het halveren niet haalbaar is.
Pingback: Groeien de verschillende landen naar elkaar toe qua cognitieve vaardigheden? | X, Y of Einstein?
Via onderstaande link kom je terecht op de officiële website van de FOD (Federale Overheidsdienst) met recente cijfers over ‘vroegtijdige schoolverlaters-gebaseerd op Eurostat. We lezen er dat er in 2012 in Vlaanderen 8,7% personen zijn met een leeftijd van 18 tot 24 jaar dat geen diploma hoger secundair onderwijs heeft behaald. In het Hoofdstedelijk Gewest Brussel is dit 20,1%.
http://statbel.fgov.be/nl/statistieken/cijfers/arbeid_leven/opleiding/vroegtijdig/
Tijdens de bijeenkomst van de commissie onderwijs van vandaag 27 juni hekelden de oppositieleden Boudewijn Bouckaert en Wim Van Dijck het gesjoemel met cijfers over ongekwalificeerde uitstroom en zittenblijven waarbij de voorbije jaren steeds en ten onrechte de indruk werd gewekt dat dit in Vlaanderen enorme proporties aannam. Prof. Bouckaert stelde “dat de hervormers de problemen opzettelijk opblazen om hun zin te krijgen”. Hij stelde verder dat de ongekwalificeerde uitstroom buiten de grote steden vrij laag was. Hij verwees naar het cijfer van Van Landeghem (10%) en betreurde dat de hervormers onlangs nog de kwakkels verpreidden van 15 % en zelfs 20 %. “ Het ging verder ook nog over de kwakkels omtrent zittenblijven, sociale discriminatie …