Niet elke rekentopper is hetzelfde: inzichten uit recent onderzoek

Rekenen is voor sommige kinderen echt helemaal geen probleem. Ze werken snel, maken weinig fouten en worden vaak ingedeeld bij de ‘sterke rekenaars’. Maar volgens een recente studie, gepubliceerd in Learning and Individual Differences door Emilie J. Prast, Marian Hickendorff en Eva Van de Weijer-Bergsma, is deze groep minder homogeen dan je zou denken.

De onderzoekers analyseerden de resultaten van Nederlandse 625 leerlingen uit groep 3 tot en met 6 (in Vlaanderen zou dit het eerste tot het vierde leerjaar zijn) die tot de 20% best presterende rekenaars behoorden. Uit hun analyse bleken er binnen deze groep duidelijke verschillen te zijn op cognitief en motivationeel vlak. Sommige leerlingen hadden een hoge intelligentie en een sterk werkgeheugen, terwijl anderen ondanks gemiddeld cognitief vermogen toch tot de betere rekenaars behoorden. Daarnaast waren er grote verschillen in motivatie: sommige kinderen vonden rekenen erg interessant, terwijl anderen wel goed scoorden maar weinig enthousiasme toonden. Ook de mate van zelfvertrouwen en rekenangst bleek niet voor iedereen gelijk.

Deze bevindingen suggereren dat een standaard aanpak voor ‘snelle rekenaars’ niet per se voor alle leerlingen optimaal is. Differentiatie blijft belangrijk, maar mogelijk heeft niet elke sterke rekenaar baat bij dezelfde verrijkingsprogramma’s. Een leerling met veel zelfvertrouwen maar weinig interesse in rekenen heeft wellicht een andere benadering nodig dan een kind dat zich onzeker voelt, maar wel nieuwsgierig is. Ook rekenvaardigheden zoals automatiseren kunnen bij sommige sterke rekenaars minder goed ontwikkeld zijn, terwijl anderen daar juist geen moeite mee hebben.

Dit onderzoek benadrukt dat het zinvol is om verder te kijken dan alleen de rekenprestaties. Binnen de groep van hoogpresterende rekenaars bestaan verschillende profielen, en dat kan betekenen dat zij ook uiteenlopende onderwijsbehoeften hebben. Hoewel verdere studies nodig zijn om deze verschillen nog beter te begrijpen, bieden de resultaten een interessante invalshoek voor scholen die hun onderwijs voor sterke rekenaars verder willen verfijnen.

Abstract van het onderzoek:

Although high-achieving students in mathematics are often regarded as a homogeneous group, there may be differences within this group. This study used a person-centred approach to investigate quantitative and qualitative differences between 625 high-achieving students (top 20 %) of Grades 3–6 in the Netherlands. Latent profile analyses were conducted based on a range of cognitive (nonverbal intelligence, verbal working memory and visual-spatial working memory), motivational (interest, perceived competence, and anxiety), and mathematics achievement (general mathematics achievement and arithmetic fluency) measures. Per grade, two to four latent profiles emerged (e.g., in Grade 3: ‘relatively low on all variables’, ‘relatively uninterested very high achievers’ and ‘motivated’). While the variation on all variables was substantial, motivational variables contributed most to the distinction between the profiles. This heterogeneity among high-achievers implies that high-achieving students may have diverse educational needs to flourish and reach their full mathematical potential.

Geef een reactie