Wie beslist wat een ‘slechte leerkracht’ is?

Uit De Stemming, het grote kiezersonderzoek van onder andere De Standaard, blijkt dat een ruime meerderheid van de Vlamingen de vaste benoeming in het onderwijs wil afschaffen. Slecht presterende leerkrachten moeten sneller ontslagen kunnen worden. Dat klinkt logisch, maar er duiken al snel enkele problemen op.

De tegenargumenten zijn bekend. Denk aan het feit dat het beroep nog minder aantrekkelijk zou kunnen worden, terwijl er nu al grote tekorten zijn. Wat er momenteel in de VS gebeurt, toont ook aan hoe belangrijk bescherming tegen (politieke) willekeur is.

Maar er is nog een ander probleem met het snel kunnen ontslaan van slecht presterende leerkrachten: hoe herken je die? Professor emeritus Dylan Wiliam stelde ooit dat het erg moeilijk is om het verschil te zien tussen een zwakke leerkracht in een sterke klas en een sterke leerkracht in een zeer moeilijke klas. En het klopt: je zou minstens zes onafhankelijke observeerders nodig hebben die elk zes verschillende lessen bekijken, om een beetje een betrouwbaar beeld te krijgen van de kwaliteit van een lesgever.

Dat lijkt haaks te staan op de situatie waarbij leerlingen, collega’s en directies duidelijk weten dat iemand niet geschikt is voor het beroep. Zulke gevallen zijn er zeker, maar die groep is wellicht kleiner dan wat mensen in de peiling voor ogen hebben. Bovendien zijn de regels voor deze groep de voorbije jaren al strenger geworden.

Je zou kunnen denken: nu we meer data hebben en slimme tools, wordt het toch makkelijker? Gelukkig zetten hogescholen, pedagogische begeleidingsdiensten en andere vormingsverstrekkers al een tijd in op datageletterdheid in het onderwijs. Maar ook hier blijkt het niet zo eenvoudig. Ja, je ziet makkelijk of leerlingen bij een bepaalde leerkracht consequent slechter scoren, maar… komt dat door een gebrek aan kwaliteit? Of omdat die leerkracht net hoge verwachtingen heeft en streng maar rechtvaardig evalueert? Of misschien omdat die net zo sterk is dat hij of zij altijd de moeilijkste groepen krijgt toebedeeld? Of misschien is er een collega in het jaar voordien die zwak lesgaf, waardoor de voorkennis van de leerlingen nu niet op peil is, en deze leerkracht dus vooral zit op te ruimen?

Laat me even, en ik kan zo nog wel een paar verklaringen bedenken die je eerst best checkt voor je misschien een goede leerkracht ontslaat.

Terug naar Dylan Wiliam. In zijn boek Creating the Schools Our Children Need stelt hij dat elk land de beste mensen voor de klas wil, maar die zelden lijkt te vinden. In een tijd van grote krapte op de arbeidsmarkt is het een illusie te denken dat we snel een pak goede leerkrachten extra zullen kunnen aantrekken. Wat dan wel? De écht rotte appels moeten eruit – en daar wordt aan gewerkt. Maar de anderen? Die moeten we vooral helpen (nog) beter te worden.

En precies daar liggen volgens mij – en onder andere de OESO – nog veel kansen voor Vlaanderen. Niet omdat onze onderwijsteams ondermaats zouden zijn. Wel omdat de aandacht en tijd voor effectieve professionalisering in ons land, vergeleken met de rest van de wereld, nog relatief beperkt is. De budgetten zijn kleiner, en door het lerarentekort worden ze vaak niet eens volledig benut. Leerkrachten twijfelen om nog die ene vorming te volgen, als dat betekent dat leerlingen lessen zullen missen of collega’s extra belast worden.

Toch ontslaat dat ons niet van de taak om hier wél op in te zetten. Het effect van goede professionalisering op het leren van onze kinderen is immers groot.

Geef een reactie