Vandaag spelen we een spel… in de klas?

Board GamesBordspellen hebben de voorbije jaren een opmerkelijke comeback gemaakt. Ik merkte zelf al op hoe er verschillende spelletjeswinkels en -cafés opdoken in mijn omgeving. En eerder zag ik ook al het belang van bordspellen opduiken in literatuur over bijvoorbeeld werken aan executieve functies in de klas.

Dat is allemaal niet zo vreemd. Goede bordspellen zijn betaalbaar, vereisen geen schermen, stimuleren interactie en vragen vaak precies die vaardigheden die we ook op school belangrijk vinden: plannen, samenwerken, je beurt afwachten, omgaan met winst en verlies, en flexibel reageren wanneer de situatie verandert. Maar bieden ze ook echt een meerwaarde in een schoolcontext? Kunnen bordspellen meer zijn dan alleen een leuke afwisseling tussen de lessen door?

Een nieuwe studie van Elena Cravet en Maria Carmen Usai, verschenen in Learning and Instruction, probeert daar een antwoord op te geven. De onderzoekers volgden 150 leerlingen uit het vierde en vijfde leerjaar in een Italiaanse basisschool. Gedurende tien weken kregen vier klassen tweemaal per week een uur lang een programma rond bordspellen. Dat ging verder dan enkel spelen. Elke sessie begon met een kort verhaal rond een specifieke vaardigheid, gevolgd door een begeleid gesprek, een bordspel en een gezamenlijke reflectie achteraf. Het geheel was dus expliciet opgebouwd rond metacognitie: nadenken over wat je doet en waarom je het doet.

De onderzoekers waren geïnteresseerd in verschillende mogelijke effecten. Niet enkel op executieve functies zoals inhibitie, werkgeheugen en cognitieve flexibiliteit, maar ook op sociaal-emotionele vaardigheden en schoolprestaties. Veel onderzoeken naar executieve functies blijven hangen bij cognitieve tests. Hier werd ook gekeken naar hoe leerlingen functioneren in de dagelijkse schoolpraktijk.

De eerste vaststelling is misschien niet wat sommige voorstanders van spelend leren hopen. Op de computertaken die executieve functies meten, vonden de onderzoekers geen duidelijke effecten. Leerlingen die het programma volgden, scoorden na afloop niet significant beter dan de controlegroep. Dat betekent niet noodzakelijk dat er niets gebeurde. Het betekent wel dat de studie geen sterke evidentie levert dat deze interventie dergelijke, onderliggende cognitieve functies substantieel versterkte.

Maar tegelijkertijd zagen de onderzoekers wel iets anders. Leraren rapporteerden verbeteringen in het dagelijks functioneren van leerlingen. Vooral gedragsregulatie en cognitieve regulatie evolueerden gunstiger in de interventiegroep. Daarnaast vonden de onderzoekers een verbetering in emotionele veerkracht. Leerlingen leken beter om te gaan met tegenslagen en emoties.

Ook bij de schoolresultaten zagen ze een interessant patroon. De leerlingen die deelnamen aan het programma gingen niet spectaculair vooruit, maar bleven relatief stabiel terwijl de controlegroep eerder achteruitging. De auteurs spreken daarom niet van een leerwinst, maar van een mogelijk beschermend effect. Met andere woorden: de interventie lijkt leerlingen niet noodzakelijk vooruit te stuwen, maar mogelijk wel te helpen om minder achteruit te gaan. In onderwijs zijn we vaak op zoek naar interventies die spectaculaire verbeteringen opleveren. In de praktijk gaat het echter vaak om iets bescheidener maar niet noodzakelijk minder waardevol. En voorkomen dat zaken verslechteren kan dat zeker zijn. Precies bij leerlingen die extra uitdagingen ervaren, zoals in deze studie, kan dat een betekenisvol resultaat zijn.

Tegelijk is voorzichtigheid op zijn plaats. Dit was geen grootschalige gerandomiseerde studie. Alle leerlingen kwamen uit dezelfde school en de klassen werden niet willekeurig toegewezen. Bovendien waren er bij de start al verschillen tussen de groepen. De onderzoekers hebben daar statistisch voor gecorrigeerd, maar dat blijft minder sterk dan een echte randomisatie. Ook de steekproef is relatief beperkt. Hoewel 150 leerlingen voor een schoolstudie niet uitzonderlijk weinig is, gaat het uiteindelijk om slechts negen klassen in één school. Replicaties in andere scholen en contexten zijn dus noodzakelijk.

Maar voorzichtigheid betekent niet dat we het onderzoek nu snel moeten wegzetten. De studie levert een interessante bijdrage aan een groeiende literatuur die suggereert dat bordspellen meer kunnen zijn dan ontspanning. Niet omdat ze kinderen plots slimmer maken of executieve functies rechtstreeks trainen. De hele literatuur rond transfer heeft ons al meer dan 100 jaar geleerd hoe moeilijk dat te bereiken is. Maar wel omdat ze een rijke context creëren waarin leerlingen voortdurend oefenen met zelfregulatie, sociale interactie en omgaan met uitdagingen. De waarde van bordspellen in onderwijs zit mogelijk minder in het trainen van afzonderlijke cognitieve vaardigheden en meer in het creëren van situaties waarin kinderen die vaardigheden spontaan moeten inzetten.

Afbeelding: https://www.publicdomainpictures.net/nl/view-image.php?image=28589&picture=board-games

Geef een reactie