Architectuur is geen didactiek

Ik heb me al vaker kritisch uitgelaten over leerpleinen en open leeromgevingen, gebaseerd op onderzoek voor alle duidelijkheid. Dat wil niet zeggen dat ik het onderzoek hierover niet blijf verder opvolgen. Zaken kunnen evolueren, genuanceerd worden, of, zoals bij deze studie, nieuwe inzichten opleveren op basis van kwalitatief onderzoek.

Kreeta Niemi onderzocht namelijk niet of leerlingen betere resultaten halen in open leeromgevingen, maar iets wat misschien nog fundamenteler is: hoe bewegen leerkrachten zich eigenlijk in zulke ruimtes en wat betekent dat voor hun interacties met leerlingen? Omdat de omgeving helemaal anders is dan een klassiek klaslokaal, verwacht je ook hele andere patronen.

Om deze vraag te beantwoorden, analyseerde Niemi videobeelden van twee ervaren Finse leerkrachten die lesgaven in open en flexibele leeromgevingen. Met behulp van gedetailleerde observaties bracht ze letterlijk in kaart waar de leerkrachten zich bevonden, hoe ze zich verplaatsten en wanneer ze contact maakten met hun leerlingen.

Dat leverde een interessant beeld op. De twee leerkrachten werkten in vergelijkbare ruimtes, maar gebruikten die op totaal andere manieren. De ene bleef vaak dicht bij haar bureau en verplaatste zich vooral wanneer er een praktisch probleem moest worden opgelost. De andere had nauwelijks een vaste plek en bewoog voortdurend tussen leerlingen en groepjes.

Dat verschil bleek gevolgen te hebben voor wat er in de klas gebeurde. Leerlingen gebruikten de nabijheid van de leerkracht als een soort signaal. Wanneer een leerkracht rondliep, zagen ze meer kansen om vragen te stellen, hulp te vragen of even contact te leggen. Wanneer een leerkracht vooral op één plek bleef, gebeurde dat veel minder. Sommige leerlingen kregen tijdens een volledige les zelfs nauwelijks individuele aandacht.

Misschien nog interessanter is dat Niemi laat zien dat mobiliteit op zich niet voldoende is. Een korte tussenkomst om gedrag bij te sturen – bijvoorbeeld een tablet afnemen of een opmerking maken – had vaak weinig effect op het verdere leerproces. De meest betekenisvolle momenten ontstonden wanneer de leerkracht bleef hangen, bij leerlingen ging zitten, vragen stelde en leerlingen met elkaar in gesprek bracht. In die situaties werd hulp niet alleen gegeven door de leerkracht, maar ontstond er ook samenwerking tussen leerlingen onderling.

Dat brengt ons bij een conclusie die tegelijk verrassend en weinig verrassend is. Voorstanders van open leeromgevingen suggereren soms dat een andere inrichting van een school automatisch leidt tot ander onderwijs. Deze studie ondersteunt dat idee niet echt. De ruimte creëert mogelijkheden, maar bepaalt niet wat er gebeurt. Dezelfde open omgeving leidde bij de ene leerkracht tot heel andere interacties dan bij de andere.

Dat sluit aan bij iets wat we ook uit ander onderzoek kennen: architectuur is geen pedagogiek. Het weghalen van muren verandert niet automatisch de manier waarop mensen lesgeven. Uiteindelijk blijft het de leerkracht die bepaalt hoe de ruimte wordt gebruikt, welke interacties ontstaan en hoeveel kansen leerlingen krijgen om ondersteuning te ontvangen.

Nu komt het traditionele relativeringsstuk in mijn blogpost, maar te belangrijk om over te slaan. Dit is een kwalitatieve studie met slechts twee leerkrachten. Ze vertelt ons niet of leerlingen uiteindelijk meer leren. Maar precies omdat Niemi zo nauwkeurig kijkt naar wat er daadwerkelijk gebeurt in de klas, levert het wel degelijk een waardevol inzicht op. Niet de ruimte verandert de didactiek. Het is de didactiek (en ruimer ook de pedagogie) die bepaalt wat er met die ruimte gebeurt.

Geef een reactie