Het idee dat warme ouder-kindrelaties belangrijk zijn voor het welzijn van kinderen is op zich niet nieuw. Maar hoe zo’n vroege relatie precies doorwerkt in latere mentale en fysieke gezondheid, daarover tastten onderzoekers nog vaak in het duister. Een nieuwe longitudinale studie van Alley en collega’s (2025) werpt daar nu licht op – letterlijk van peuter tot puber.
De onderzoekers maakten gebruik van de Millennium Cohort Study, een Brits langlopend onderzoek waarin meer dan 19.000 kinderen gevolgd worden vanaf de geboorte. Voor deze studie keken ze naar 8540 kinderen waarvoor observatiegegevens beschikbaar waren over moederlijke warmte op 3-jarige leeftijd. Dat werd niet aan ouders of kinderen gevraagd, maar onafhankelijk gecodeerd op basis van gedrag (zoals het tonen van affectie of praten met het kind op een warme toon). Op 14-jarige leeftijd werd dan gemeten in welke mate jongeren zich sociaal veilig voelden – bijvoorbeeld of ze het gevoel hadden dat ze iemand konden vertrouwen of dat er mensen waren bij wie ze zich veilig voelden. Op 17 jaar volgden vervolgens drie gezondheidsuitkomsten: fysieke gezondheid, psychisch onwelzijn en ernstige psychiatrische problemen zoals zelfbeschadiging en suïcidaliteit.
De resultaten? Jongeren van wie de moeder op jonge leeftijd meer warmte toonde, voelden zich op 14 jaar sociaal veiliger. En dat gevoel van sociale veiligheid bleek op zijn beurt sterk samen te hangen met hoe ze zich op 17 jaar voelden – fysiek én mentaal. De perceptie van sociale veiligheid fungeerde dus als een soort schakel tussen vroege opvoeding en latere gezondheid. Opvallend: moederlijke hardheid, zoals schreeuwen of fysiek straffen, had géén significant effect op de latere sociale veiligheid of gezondheid wanneer de warmte werd meegerekend.
Belangrijk om hier goed te lezen: dit is geen bewijs dat moederlijke warmte de oorzaak is dat jongeren gezonder zijn. Correlatie is geen causaliteit. Maar omdat het hier gaat om een longitudinale studie met meerdere meetmomenten, observer-rapporten, en controle voor een reeks mogelijke verstorende variabelen (zoals inkomen, cognitieve vaardigheden en mentale gezondheid van de moeder), komt deze studie methodologisch wel dicht in de buurt.
Toch zijn er ook kanttekeningen. De studie kijkt enkel naar moeders, niet naar vaders of andere opvoeders, een fout die ook lang bij hechtingsonderzoek gebeurde. En hoewel het construct ‘sociale veiligheid’ relevant is, is het gemeten met slechts drie relatief algemene items. Bovendien blijft de vraag: als sociale veiligheid zó cruciaal is, hoe kunnen we dat dan gericht versterken in jongeren die dat missen? De auteurs suggereren dat interventies die jongeren helpen zich sociaal verbonden en veilig te voelen – via school, hulpverlening of gemeenschap – misschien wel net zo belangrijk zijn als het verbeteren van ouder-kindrelaties.
Of zoals de onderzoekers het zelf schrijven: “Zelfs als je de vroege opvoeding niet kan veranderen, kun je jongeren misschien wel helpen om hun beeld van de sociale wereld bij te stellen.”
Een bemoedigende gedachte, in een tijd waarin mentale gezondheidsproblemen onder jongeren toenemen.
Abstract van het onderzoek:
Importance Although early maternal warmth strongly predicts adolescent health, questions remain about the biopsychosocial mechanisms underlying this association.
Objective To understand how maternal warmth at 3 years of age shapes adolescent social safety schemas at 14 years of age and physical and mental health at 17 years of age.
Design, Setting, and Participants The Millennium Cohort Study tracks approximately 19 200 children born from late 2000 to early 2002 in the UK. Participants were assessed from ages 3 to 17 years.
Exposure Low maternal warmth (eg, lack of praise, negative tone of voice when speaking to the child) and maternal harshness (eg, using physical restraint, grabbing the child) were independently coded during a home visit (age 3 years).
Main Outcomes and Measures Social safety (age 14 years) was measured by children’s responses to 3 items (eg, “I have family and friends who help me feel safe, secure and happy”). Physical health was self-reported on a scale ranging from 1 (excellent) to 5 (poor) (age 17 years). Psychological distress (age 17 years) was assessed using the 6-item Kessler Psychological Distress Scale. Psychiatric problems (age 17 years) was a latent variable composed of self-disclosed clinical diagnosis of depression/anxiety, self-harm, and suicidal behaviors.
Results The present sample included 8540 youths (52% female; 3.0% Black or Black British, 2.8% Indian, 6.7% Pakistani and Bangladeshi, 2.8% Mixed, 83% White, and 1.6% other). Data were analyzed from March 2024 to September 2024 using structural equation modeling. In models controlling for sex, ethnicity, income, neighborhood disadvantage, maternal mental health, and early cognitive ability, the paths from childhood maternal warmth (but not harshness) to social safety schemas at 14 years of age (b = 0.03; P < .001) and physical health at 17 years of age (b = 0.05; P = .02) were significant, suggesting that early maternal warmth enhances subsequent perceived social safety and physical health. Additionally, the paths from negative social safety schemas at 14 years of age to poorer physical health (b = 0.50; P < .001), psychological distress (b = 5.37; P < .001), and psychiatric problems (b = 0.21; P < .001) at 17 years of age were significant, suggesting that greater perceived social safety prospectively predicts better health. Social safety at 14 years of age mediated 20% to 100% of the effect of early maternal warmth on physical health, psychological distress, and psychiatric problems at 17 years of age (b = 0.01-0.15; P < .001 for all). Conclusions and Relevance These results show that early-life maternal warmth affected adolescent health by influencing perceptions of social safety. Improving parent-child relationships and enhancing youths’ perceptions of social safety may thus improve adolescent health.>