Wie het over de genderkloof in het onderwijs heeft, denkt meestal aan jongens die achterblijven. Al vanaf de kleuterklas presteren meisjes gemiddeld beter op schoolse vaardigheden en gedrag, en dat voordeel zet zich door tot in het hoger onderwijs. Maar wat gebeurt er als je niet alleen naar gender kijkt, maar ook naar seksuele identiteit?
Nieuw onderzoek van Joel Mittleman laat zien dat dit verrassende én ongemakkelijke patronen oplevert. Op basis van drie grote nationale surveys en een longitudinale studie van middelbare scholieren in de VS, brengt hij voor het eerst op grote schaal in kaart hoe lesbische, homoseksuele en biseksuele jongeren en volwassenen het doen in het onderwijs.
De eerste bevinding springt meteen in het oog: homoseksuele mannen behalen veel vaker een bachelordiploma dan welke andere groep dan ook – ook vaker dan heteroseksuele vrouwen. Dat patroon blijft overeind in verschillende etnische groepen en generaties.
Het verhaal bij lesbische vrouwen is anders. In oudere cohorten, en vooral bij witte vrouwen, lag hun opleidingsniveau hoger dan dat van heteroseksuele vrouwen. In recente generaties is dat voordeel verdwenen, en soms zelfs omgeslagen in een achterstand. Vooral biseksuele vrouwen scoren gemiddeld lager op vrijwel alle onderwijsindicatoren.
Bij jongeren in de recente cohortdata zie je die verschillen terug in cijfers, vakkenpakket, studiemotivatie en vriendenkring. Homojongens volgen zwaardere vakken, halen hogere cijfers en stromen vaker door naar de universiteit. Lesbische en biseksuele meisjes vallen gemiddeld vaker uit, hebben minder ‘schoolgerichte’ vrienden en rapporteren lagere cijfers.
Wat opvalt: op sociaal vlak heeft elke LHB-groep meer te maken met discriminatie en minderheidsstress, óók de groepen die academisch goed presteren. Mittleman stelt dat afstand tot dominante gendernormen hier een rol kan spelen: bij jongens kan losser staan van ‘hegemoniale mannelijkheid’ academisch voordeel opleveren, terwijl afstand tot ‘hegemoniale vrouwelijkheid’ voor meisjes juist nadelig kan zijn.
Zijn analyse legt een ongemakkelijke blinde vlek bloot in hoe we naar onderwijskansen kijken. Seksuele identiteit is geen detail, maar een relevante dimensie van ongelijkheid – en die werkt verschillend uit voor mannen en vrouwen.
Abstract van het onderzoek:
Although gender is central to contemporary accounts of educational stratification, sexuality has been largely invisible as a population-level axis of academic inequality. Taking advantage of major recent data expansions, the current study establishes sexuality as a core dimension of educational stratification in America. First, I analyze lesbian, gay and bisexual (LGB) adults college completion rates: overall, by race/ethnicity and by birth cohort. Then, using new data from the High School Longitudinal Survey of 2009, I analyze LGB students’ performance on a full range of achievement and attainment measures. Across analyses, I reveal two demographic facts. First, women’s rising academic advantages are largely confined to straight women: although lesbian women historically outpaced straight women, in contemporary cohorts, lesbian and bisexual women face significant academic disadvantages. Second, boys’ well-documented underperformance obscures one group with remarkably high levels of school success: gay boys. Given these facts, I propose that marginalization from hegemonic gender norms has important— but asymmetric—impacts on men and women’s academic success. To illustrate this point, I apply what I call a “gender predictive” approach, using supervised machine learning methods to uncover patterns of inequality otherwise obscured by the binary sex/gender measures typically available in population research.