Het is een onderwerp waar ik vaak vragen over krijg: bewegend leren. En stel je een klaslokaal voor waar kinderen negen minuten jumping jacks, lunges en star jumps doen – en dat dit hun schoolprestaties en hersenactiviteit zou verbeteren. Dat klinkt bijna te mooi om waar te zijn, en precies dat is wat een nieuwe studie van Drollette en collega’s onderzocht. Ze lieten 25 kinderen (9–12 jaar) drie keer naar het lab komen: een keer voor een sessie high-intensity interval exercise (HIIE), een keer voor matig fietsen, en een keer om gewoon te zitten. Daarna deden de kinderen een flanker-taak terwijl hun hersenactiviteit via EEG werd gemeten, en in twee van de condities maakten ze ook een leestest.
De resultaten? Na de korte HIIE-sessie was de zogenaamde error-related negativity (ERN) kleiner – volgens de onderzoekers een teken van efficiëntere foutverwerking. Bovendien scoorden de kinderen beter op woordherkenning, en bijna beter op decodeervaardigheid. Op andere onderdelen (stil lezen, wiskunde) was er geen verschil.
Dat klinkt positief, maar hier moeten we echt voorzichtig zijn. Het gaat om een piepkleine steekproef – 25 kinderen, uit één regio in de VS, met bovendien heel wat uitvallers (de oorspronkelijke groep was groter, maar velen werden uitgesloten omdat er te weinig trials waren). De effecten die wél gevonden werden, zijn klein en selectief: enkel voor woordherkenning en niet voor de meeste andere domeinen. Bovendien was de academische test maar na twee condities afgenomen (HIIE en zitten), zodat we helemaal niet weten of matig fietsen hetzelfde effect had kunnen geven.
En dan is er nog het interpretatieprobleem van de ERN zelf: sommige studies zien een kleinere amplitude als een teken van efficiëntie, andere net niet. Ook de auteurs erkennen dat die literatuur alle kanten opgaat. Met andere woorden: het is veel te vroeg om dit als een stevig onderbouwde verklaring te zien voor cognitieve voordelen van bewegen.
Is dit nutteloos onderzoek? Zeker niet. Het idee dat korte, haalbare beweegmomenten een positief effect kunnen hebben, is belangrijk en relevant voor scholen. Maar de stap van een gecontroleerde laboratoriumsetting met EEG-kappen naar de dagelijkse realiteit van een klas met 25 leerlingen is groot. Het zou mooi zijn als dit soort interventies in echte klaspraktijken getest wordt, met grotere groepen en een bredere waaier aan leeruitkomsten.
Tot die tijd zou ik zeggen: bewegen is gezond, ook op school. Maar of negen minuten springen je echt beter doet lezen of slimmer maakt? Daar is voorlopig vooral meer onderzoek voor nodig.
Abstract van het onderzoek:
While short bouts of exercise are known to improve cognitive and academic performance in children, the underlying neural mechanisms driving these changes remain unclear. This study evaluates the effects of short (9-min) acute bouts of exercise (high intensity interval exercise, HIIE; moderate-intensity cycling) on error-related negativity (ERN), and academic achievement. School-aged children (n =25; ages 9–12) participated in a within-subjects, crossover design, completing one of three conditions (HIIE, moderate-intensity cycling, and seated rest) on three separate days. ERN was measured using electroencephalography (EEG) during a flanker task. Academic achievement tests were completed following only HIIE and seated rest. HIIE significantly reduced ERN amplitude compared to both cycling and seated rest conditions, suggesting improved neural efficiency in error processing. Children also exhibited improved word recognition fluency following HIIE, with a positive trend observed for decoding fluency. These findings suggest that HIIE sessions can enhance neural markers of error processing and academic performance in children. Further research is necessary to explore the long-term effects and potential for broader cognitive improvements resulting from regular integration of HIIE interventions for children.
in het licht hiervan 🙂 zie https://www.tandfonline.com/doi/full/10.1080/02640414.2020.1720496