Waarom vragen (sommige) leraren zo weinig feedback (terwijl we weten dat het werkt)?

We weten al een tijd dat feedback kan helpen om lesgeven te verbeteren. Van leerlingen, maar ook van collega’s. Het idee is eenvoudig: als je zicht krijgt op wat er in je klas gebeurt, kan je gerichter bijsturen. En toch gebeurt het opvallend weinig. Waarom is dit?

En dit weten we niet alleen anekdotisch. In veel systemen blijft het vragen van feedback eerder uitzondering dan regel. Een recente studie van Röhl en collega’s bij meer dan 600 leraren in Duitsland bevestigt dat beeld. Leerlingenfeedback wordt nog relatief vaak overwogen, maar feedback van collega’s blijft duidelijk achter. Dat is op zich al interessant. Want net die vorm van feedback – iemand die meekijkt in je les – wordt vaak als krachtig gezien. Ik pleit niet voor niets al jaren voor meer collegiale visitatie.

De vraag is dus niet zozeer of feedback werkt. De vraag is: waarom doen we er zo weinig mee of staan we er zo weinig voor open? De studie geeft daar een vrij nuchter antwoord op. Leraren vragen vooral feedback als ze denken dat het nuttig is. Dat klinkt bijna te simpel om waar te zijn, maar het blijkt wel de sterkste voorspeller. Niet zozeer of ze denken dat ze er goed mee kunnen omgaan, maar of ze geloven dat het hen iets oplevert.

Daar komen wel nog zaken bij. Denk bijvoorbeeld aan de sociale norm. Als leraren het gevoel hebben dat collega’s of schoolleiding verwachten dat ze feedback gebruiken, dan stijgt de kans dat ze het ook effectief van plan zijn. Niet noodzakelijk omdat ze plots overtuigd zijn dat het nodig is, maar omdat het “zo hoort”. Scholen zijn nu eenmaal mini-samenlevingen waar iedereen elkaar beïnvloedt.

Tot zover weinig verrassends, maar handig om het bevestigd te zien.  Waar het interessanter wordt, is bij de context. Scholen die concrete ondersteuning voorzien, zoals vragenlijsten, tijd om lessen te observeren of begeleiding bij het interpreteren van feedback, zien meer intentie bij leraren om feedback te gebruiken. Ook psychologische veiligheid speelt een rol. In teams waar fouten bespreekbaar zijn, is de drempel om feedback te vragen lager. En hetzelfde geldt voor leiderschap. Schoolleiders die duidelijk maken dat feedback belangrijk is, en daar ook ruimte voor creëren, maken het verschil.

Met andere woorden: feedback is geen individuele vaardigheid. Het is een organisatorische keuze. Dat zie je ook terug bij meer ervaren leraren. Zij geven minder vaak aan dat ze feedback willen zoeken. Niet omdat ze het niet kunnen, maar omdat ze het minder nuttig achten. Dat past in een breder patroon waarbij routines sterker worden en de drang tot verandering afneemt. Ook bij werkdruk of burn-out voelt feedback al snel minder als kans en meer als bedreiging.

Het is verleidelijk om dit soort resultaten te vertalen naar individuele oplossingen. We moeten leraren overtuigen. We moeten hun mindset veranderen en hen trainen in feedbackvaardigheden. Maar misschien ligt het probleem dus anders. Misschien is de belangrijkste reden waarom feedback zo weinig gebeurt, dat we er zelden een omgeving voor bouwen waarin het normaal is. Waar tijd is om te observeren. Waar tools beschikbaar zijn. En waar het veilig voelt om kwetsbaar te zijn. En waar het niet uitzonderlijk is, maar gewoon deel van het werk.

Geef een reactie