De voorbije week verschenen twee opiniestukken die het debat over inclusief onderwijs nieuw leven inblazen. Eerst schreven Sezgin Cihangir en Paul Kirschner (die laatste ken ik natuurlijk zeer goed) in Trouw dat het ideaal van inclusie als alle kinderen samen in één klas, mooi klinkt, maar in de praktijk niet werkt. En een paar dagen later reageerden Willeke Doornbos en Bert Wienen dat die redenering te kort door de bocht is, omdat onderwijs nooit waardevrij is.
Wie beide stukken na elkaar leest, hoort eigenlijk een gesprek dat we al jaren voeren, maar telkens met andere woorden. De ene kant zegt: “we moeten realistisch zijn”, de andere: “we mogen niet cynisch worden”. En allebei hebben ze een punt én allebei hebben ze het beste voor met alle kinderen. Dat laatste wordt soms minder gezien.
Cihangir en Kirschner verwijzen naar onderzoek van Douglas Fuchs en collega’s. Onderzoek dat ik zelf in februari ook al besprak (die blog lees je hier). De conclusie van dat onderzoek was toen al weinig opbeurend: er is geen overtuigend bewijs dat leerlingen met een beperking beter presteren in een gewone klas. Dat betekent niet dat inclusie slecht is, wel dat het vaak niet vanzelf werkt.
Doornbos en Wienen werpen terecht op dat dit soort conclusies snel verkeerd gelezen wordt. “Geen eenduidig effect gevonden” betekent niet “het werkt niet”. Onderwijs is geen medicijn dat je op effectiviteit kunt testen met een controlegroep en een placebo. En ze hebben gelijk dat het gesprek over waarom we inclusie willen, vaak ontbreekt. Onderwijs is nooit neutraal. Wie “realistisch” zegt, bedoelt meestal: “zoals ik het gewoon ben”.
Wat mij opvalt, is hoe beide kampen eigenlijk langs elkaar heen praten. De ene discussie gaat over de uitvoering (“leraren verzuipen in de diversiteit”), de andere over de bedoeling (“elke leerling hoort erbij”). Maar het echte probleem ligt ertussenin: we hebben te vaak mooie idealen zonder stevige uitvoering, en te vaak uitvoeringsplannen zonder morele richting.
Of, zoals ik toen schreef: de echte discussie moet gaan over het hoe, niet over het waar.
Niet: “moet elk kind in de gewone klas?”, maar: “hoe zorgen we dat elk kind goed onderwijs krijgt?”
Want daar gaat het uiteindelijk om. Niet over de plek, maar over de kwaliteit van wat daar gebeurt. Inclusief onderwijs is geen kwestie van stoelen en muren, maar van instructie, ondersteuning en verwachtingen. Je kan perfect “inclusief” zijn op papier en tegelijk kinderen buitenhouden door een curriculum dat te smal is, of door een klaspraktijk die vooral de sterksten bedient.
Cihangir en Kirschner hebben gelijk dat beleid soms doet alsof het ideaal genoeg is. Doornbos en Wienen hebben gelijk dat cijfers niet het hele verhaal vertellen. En wie in een klas staat, weet dat beide waarheden botsen op maandag om half negen, wanneer de leerling met autisme, de leerling met dyslexie en de leerling die drie talen door elkaar spreekt tegelijk iets nodig hebben.
Dat is de realiteit. Geen ideologie, geen theorie, maar gewoon een gewoon dinsdag. En daar moeten we het over hebben: hoe we dat organiseren zonder dat leraren kopje-onder gaan, en zonder dat leerlingen afhaken.
Inclusie is belangrijk. Effectiviteit ook. Maar als we blijven doen alsof die twee elkaar uitsluiten, eindigen we met slechter onderwijs voor iedereen. Laten we dus het ideaal niet opgeven, maar het eindelijk goed uitvoeren. En laten we tegelijk eerlijk zijn: we weten hier nog veel niet over. Dat is precies wat Fuchs en collega’s in hun overzichtsstudie benadrukken; dat de wetenschap hierin vaak nog zoekende is. Ook daarom loopt er vandaag heel wat onderzoek met steun van Leerpunt, net om beter te begrijpen hoe inclusie wél kan werken in de klaspraktijk.
Dank voor dit artikel. Er ligt mijns inziens een essentiële vraag onder: wat verstaan we onder ‘goed onderwijs’? Is dat vooral goed leren lezen, schrijven en rekenen, of is dat ook leren omgaan met anderen?
Pingback: Pedro en RInke blikken terug op onderwijsnieuws van nov 2025
Pingback: Luchtkwaliteit en inclusief onderwijs – Teacher Tapp Nederland
Pingback: Gerichte interventies bij SEND: wat zegt onderzoek echt?