Voor veel tieners komt er een kantelpunt in hun schoolloopbaan met één woord… algebra. Volgens een nieuw overzichtsartikel van Blair Payne en collega’s in het Journal of Learning Disabilities (2025) is een onvoldoende voor algebra in het begin van het middelbaar niet zomaar een klein probleem. Het kan de rest van een schoolcarrière bepalen, met minder kans op een diploma, minder kans op hogere studies, en zelfs gevolgen voor gezondheid en werk later in het leven. Terwijl er veel onderzoek bestaat naar hoe jonge kinderen met wiskundeproblemen geholpen kunnen worden, weten we opvallend weinig over wat werkt in het secundair.
De onderzoekers brachten 21 studies samen. In totaal gaat het over bijna 200 leerlingen tussen 14 en 19 jaar die blijvende moeilijkheden hadden met wiskunde, met of zonder officiële diagnose. Het goede nieuws is dat de meeste interventies positieve effecten lieten zien. Het minder goede nieuws is dat het om weinig en vaak kleinschalige onderzoeken gaat. Toch tekenen zich duidelijke patronen af.
Expliciete instructie blijft de sterkste factor. In elke succesvolle studie kregen leerlingen stapsgewijze uitleg, begeleide oefening en gerichte feedback. Die aanpak maakt denkstappen zichtbaar en zorgt voor meer grip op abstracte problemen. Technologie speelde ook vaak een rol, meestal via virtuele materialen of videomodellen, in zo’n tachtig procent van de effectieve interventies. In twee derde van de studies was er ook expliciete aandacht voor wiskundetaal. Dit is logisch als je ooit een leerling hebt zien struikelen over woorden als coëfficiënt of product. Verder waren concrete en visuele representaties (zoals algebra-tegels of geometrische schetsen) en systematisch werken aan tekstproblemen veelvoorkomende ingrediënten.
De meeste interventies richtten zich op vroege algebra en duurden minder dan vijf weken. Dat zegt iets over wat ontbreekt. Er is amper onderzoek naar hoe oudere leerlingen met grote hiaten ondersteund kunnen worden zonder het tempo van de klas te verliezen. Veel van hen missen nog basisvaardigheden. Soms is dit op het niveau van een leerling uit het tweede of derde leerjaar, terwijl ze ondertussen vergelijkingen met onbekenden moeten oplossen. Dat spanningsveld tussen ‘bijwerken’ en ‘bijblijven’ is reëel, en zwaar voor zowel leerling als leraar.
Wat dit overzicht waardevol maakt, is dat het niet blijft steken in het vaststellen van hiaten. Het wijst ook een richting aan. Leerlingen met wiskundeproblemen in het secundair zijn geen oudere versies van kinderen in het lager. Ze kampen met andere uitdagingen: motivatie, geheugen, tijdsdruk, werk na school. Payne en haar collega’s herinneren ons eraan dat wiskunde in het secundair niet alleen over cijfers gaat. Het is een toegangspoort tot verdere studie, gezondheid en kansen.
Wie dus beweert dat expliciete instructie of oefening niet meer thuishoort in het secundair, kan dit artikel lezen als tegenvoorbeeld. De onderzoeken zijn klein, maar de boodschap is duidelijk: voor leerlingen die wiskunde moeilijk vinden, zijn helderheid, structuur en feedback geen luxe. Ze zijn onmisbaar.