Hoe kunnen we leren van fouten (van anderen)?

Er verschijnt regelmatig onderzoek over hoe leerlingen of studenten omgaan met fouten. Het idee is vaak dat we leren van fouten, al hoor ik soms ook: fouten kunnen net inspireren tot het maken van fouten. In een eerdere gastblog besprak Jeroen Janssen wanneer fouten leerzaam kunnen zijn. Dit was vooral wanneer leerlingen expliciet reflecteren op hun eigen denkstappen. Een nieuwe meta-analyse van Alemdag, Eichelmann en Narciss in Review of Educational Research  sluit daar mooi bij aan, maar verlegt de focus naar fouten van anderen via ‘erroneous examples’ en toont hoe belangrijk uitleg en begeleiding dan worden.

Wat zijn ‘erroneous examples’?

Dat zijn uitgewerkte voorbeelden waarin bewust één of meerdere fouten zitten. Leerlingen moeten:

  • de fout opmerken,

  • begrijpen waarom ze fout is,

  • en/of ze corrigeren.

De achterliggende gedachte is dus: misconcepties expliciteren zodat leerlingen er niet blijven in vastlopen.

Het globale effect in deze meta-analyse van 42 studies met in totaal 177 effectgroottes is klein maar positief (g = .136). Dus ja, foutieve voorbeelden kunnen helpen. Maar het betekent niet iemand nu plots veel sterker zal presteren. Het is eerder het soort effect dat je krijgt wanneer een aanpak vooral iets verfijnt en niet fundamenteel verandert.

Wat kan er nu echt werken?

Dat is meteen de interessantste uitkomst: enkel wanneer leerlingen geholpen worden om de fout te begrijpen, levert het iets op.

Meer bepaald heb je het volgende nodig:

  • Self-explanation prompts: vragen die leerlingen dwingen om de fout te benoemen of te verklaren.

  • Instructional explanations: uitleg door de leraar of het materiaal zelf over waarom de fout optreedt.

Zonder dat soort begeleiding zakt het effect eigenlijk weg. Gewoon fouten tonen is dus niet genoeg. Trouwens bleek het verschil tussen wiskunde, andere STEM-domeinen, sociale wetenschappen of hogere versus lagere onderwijsniveaus weinig uit te maken. De effecten blijven overal klein maar positief.

Wat werkte meestal minder?

Opvallend: allerlei zaken waarvan je zou verwachten dat ze helpen, deden dat niet consistent:

  • fouten highlighten,

  • fouten laten verbeteren,

  • correcte voorbeelden laten vergelijken,

  • of het ene vakgebied tegenover het andere.

De effecten bleken trouwens groter in quasi-experimenteel onderzoek en kleiner in striktere experimenten. Dat is vaak het geval, maar betekent ook een signaal om vooral de voorzichtige lezing te volgen.

En wat moeten we hier nu mee?

Ik denk dat we – Piet Huserntruyt gewijs- drie dingen kunnen onthouden:

  1. Foutieve voorbeelden kunnen nuttig zijn, maar alleen als ze goed ontworpen zijn.
    Het draait om het denken over fouten, niet om de fouten zelf.

  2. Ze zijn vooral geschikt om typische misconcepties veilig bespreekbaar te maken.
    Zeker wanneer je eigen fouten gebruiken organisatorisch of emotioneel lastiger ligt.

  3. Zie het als een gerichte didactische techniek, niet als een grote onderwijsvisie.
    Het werkt een beetje, maar alleen onder specifieke voorwaarden.

Deze meta-analyse bevestigt vooral iets wat we in andere domeinen ook al zagen: leren van fouten werkt, maar niet automatisch. Je moet je les zodanig ontwerpen dat leerlingen niet alleen zien dat er iets fout is, maar ook begrijpen waarom. En dat is waarschijnlijk meteen de belangrijkste boodschap: fouten zijn pas leerzaam als we er tijd en aandacht in steken.

Geef een reactie