Dit artikel uit The Economist over de effectiviteit van onderwijstechnologie slingert al een tijdje rond in mijn openstaande tabs. Niet omdat het zo sensationeel is, maar omdat het iets verwoordt wat al langer in de lucht lijkt te hangen. De titel alleen al is provocerend: Edtech is profitable. It is also mostly useless. Vrij vertaald: onderwijstechnologie levert veel winst op voor bedrijven, maar weinig leren.
Dat klinkt scherp. Misschien te scherp zoals je zal merken in dit stuk waar ik de voorbije twee weken af en toe aan schreef. Maar het dwingt wel tot een vraag die we al te lang ontwijken: wat heeft al die technologie in de klas ons eigenlijk opgeleverd? Niet in dashboards, licenties of marketingfolders, maar in echte leerwinst.
Het verhaal waarmee het artikel opent, zet meteen de toon. Een school in Kansas probeerde een nieuw adaptief leerprogramma voor wiskunde. Het klonk veelbelovend: gepersonaliseerd, efficiënt, modern. Leraren hoopten op snelle vooruitgang. Leerlingen kregen laptops. Maar na enkele jaren bleek het effect minimaal. De software was repetitief, saai en vooral een bron van afleiding. Uiteindelijk gingen de laptops weer in de kast. Potlood en papier kwamen terug op tafel.
Dat is geen anekdote over technofobie. Het is een verhaal over overschatting.
Vijftig jaar nadat Apple computers begon te verkopen aan scholen, lijken sommige klaslokalen verzadigd met technologie. In veel landen heeft bijna elke leerling een eigen toestel. Dat gebeurde niet op basis van sterke evidentie, maar op basis van een krachtig narratief: technologie zou leren persoonlijker, efficiënter en motiverender maken. Wie twijfelde, werd al snel weggezet als conservatief of angstig voor verandering. En de coronacrisis trok veel landen, regio’s en scholen over de laatste streep als dat nog nodig was.
Intussen stapelt het onderzoek zich op, en dat beeld is genuanceerder dan slogans doen vermoeden. Ook genuanceerder dan The Economist het presenteert. Grote overzichtsstudies tonen dat onderwijstechnologie soms werkt, vooral bij oefenen in afgebakende domeinen zoals spelling, lezen en eenvoudige rekenvaardigheden. De meta-analyse naar digitale leesinterventies in het basisonderwijs die het artikel zelf citeert, vindt zelfs kleine tot matige leerwinsten.
Maar die winst is niet vanzelfsprekend. Ze blijkt het grootst op taken die sterk lijken op wat in het programma geoefend wordt. Zodra je kijkt naar bredere toetsen of naar transfer naar andere contexten, worden de effecten kleiner of verdwijnen ze. Bovendien lopen de resultaten sterk uiteen tussen toepassingen: sommige programma’s werken behoorlijk, andere nauwelijks. Het is dus niet de technologie op zich die het verschil maakt, maar het didactisch ontwerp en de manier waarop ze in de klas wordt ingezet.
Dat is geen pleidooi tegen technologie. Het is een pleidooi tegen magisch denken.
Wie beter kijkt, ziet een patroon. Technologie werkt vooral in smalle, afgebakende domeinen met duidelijke juiste en foute antwoorden. Drill-and-practice kan zinvol zijn voor automatisering. Digitale hulpmiddelen kunnen leerlingen met specifieke leerproblemen ondersteunen. Maar zodra leren complexer wordt, denk aan begrijpend lezen, probleemoplossend denken of kritisch redeneren,… verdwijnt dat voordeel snel. Leren is daar geen individuele optimalisatieoefening meer, maar een sociaal en cognitief proces dat draait om uitleg, feedback, misverstanden en dialoog.
En precies daar wringt het.
Veel edtech vertrekt niet vanuit didactiek, maar vanuit technologie. Eerst is er een platform, daarna zoekt men er een pedagogisch verhaal bij. De vraag wordt niet: welke leerdoelen hebben we, en welk hulpmiddel kan daarbij ondersteunen? Maar: we hebben dit systeem, hoe passen we onze les eraan aan? Zo sluipt een omgekeerde logica binnen: technologie begint de les te bepalen.
Dat heeft concrete gevolgen in de klas. Leerlingen zitten achter schermen die tegelijk leeromgeving en entertainmentmachine zijn. Afleiding is geen bijwerking, maar ingebouwd. Leraren worden bewakers van firewalls en filters in plaats van begeleiders van leren. Feedback wordt een score, voortgang een grafiek, begrip een percentage. Wat relationeel en betekenisvol is, wordt meetbaar en beheersbaar gemaakt. Niet omdat dat beter werkt, maar omdat software dat nu eenmaal goed kan.
Daar komt nog iets bij: gamification. Punten, badges en levels geven de illusie van motivatie, maar verplaatsen de aandacht vaak van begrijpen naar behavioristisch winnen. Leerlingen leren hoe ze door het systeem moeten bewegen, niet noodzakelijk hoe ze de leerstof moeten doorgronden. Het risico is dat betrokkenheid zichtbaar wordt, maar denken onzichtbaar blijft.
Het is opvallend hoe sterk dit artikel in The Economist aansluit bij eerdere waarschuwingen van internationale organisaties. Tijdens en na covid werd technologie in scholen massaal opgeschaald, vaak zonder duidelijke pedagogische strategie. UNESCO stelde toen al dat het debat te snel over toestellen ging en te weinig over onderwijs. De vraag was niet of leerlingen smartphones mochten gebruiken, maar wie de regie had over het leren: de leraar of het platform.
Misschien is dat vandaag de kern van het probleem. Niet dat er technologie in de klas is, maar dat technologie te vaak de structuur van de les dreigt over te nemen. Wat begon als ondersteuning, wordt sturing.
Daarom is het interessant dat sommige scholen nu terugschakelen. Niet uit nostalgie, maar uit ervaring. Ze ontdekken dat potlood en papier geen vijanden zijn van modern onderwijs. Ze zijn hulpmiddelen die geen notificaties sturen, geen data verzamelen en geen businessmodel nodig hebben. En ze laten ruimte voor traagheid, uitleg en gesprek.
Ik wil milder zijn dat het artikel. Het betekent volgens mij niet dat we terug moeten naar een technologieloze school. Het betekent wel dat we steeds opnieuw moeten durven vragen: waarvoor dient dit precies? Voor welk doel? Voor welke leerlingen? En tegen welke kost?
Misschien is het meest confronterende citaat in het artikel niet van een onderzoeker, maar van een ouder: stel je eens voor dat al dat geld naar leraren was gegaan. Naar opleiding, kleinere klassen, betere feedback, meer tijd voor instructie. Het is een ongemakkelijke gedachte, omdat ze de kern raakt: technologie werd vaak verkocht als oplossing voor problemen die in werkelijkheid pedagogisch en organisatorisch zijn.
Meer dan tien jaar geleden zei Bill Gates dat we een decennium nodig zouden hebben om te weten of edtech echt werkte. Dat decennium is voorbij. De honderden miljarden zijn uitgegeven. En het antwoord lijkt steeds duidelijker: technologie kan helpen, maar ze vervangt geen goed onderwijs. Ze maakt het niet vanzelf beter. Ze maakt het vooral duurder, complexer en verleidelijker om moeilijke didactische vragen uit te besteden aan software.
Misschien is de echte conclusie niet dat edtech faalt, maar dat onderwijs zich niet laat automatiseren. Leren is geen app. Het is een relationeel proces tussen mensen, met fouten, uitleg, tijd en aandacht. Wie dat vergeet, krijgt mooie dashboards en magere opbrengsten.
Edtech kan nuttig zijn. Maar alleen zolang ze de les niet overneemt.
Misschien goed om dat in het achterhoofd te houden bij de huidige discussies over AI.