Niet alles wat werkt in onderwijs, werkt gelijk voor iedereen.

Het is een idee dat blijft terugkomen in het denken over onderwijs. Iets dat al eeuwen meegaat. Ik associeer het zelf erg met Jean-Jacques Rousseau. Als we maar voldoende opschuiven van uitleg naar ontdekking, van sturen naar begeleiden, dan komt het wel goed. Actiever leren is beter leren. Het is en blijft een aantrekkelijk idee, maar zoals ik al vaak uitlegde: ook te eenvoudig.

Een recente studie van Zhu en collega’s die ik via Carl Hendrick vond, vertrekt daarom van een andere vraag. Niet zozeer wat werkt, maar voor wie het werkt. Ze combineren twee dingen die we iets minder vaak samen bekijken: wie krijgt welke instructie, en wie haalt er het meeste uit.

Het eerste resultaat is bijna geruststellend. Er is vandaag weinig verschil in wie welke didactiek krijgt. Leerlingen uit verschillende sociaal-economische groepen krijgen ongeveer evenveel teacher-centered en student-centered instructie. Iets waar critici van de discussie me al vaker op gewezen hebben. Als je alleen naar toegang kijkt, lijkt het probleem dus grotendeels opgelost. Maar dat is net een mogelijke valkuil.

Het verschil zit namelijk niet puur in de opbrengst. Teacher-centered instructie werkt namelijk sterker voor leerlingen met een lagere SES. Dit is niet nieuw. Zie deze twee onderzoeken die ik hier recent bracht. Deze studie voegt iets toe dat ik minder vaak lees. Dat effect neemt af naarmate SES stijgt en, nu komt het, kan op een bepaald moment zelfs omkeren.

Voor student-centered instructie vinden de auteurs geen robuust effect op de verschillen die veroorzaakt worden door SES, hoogstens een indicatie dat het eerder werkt voor leerlingen die al sterker staan. Dezelfde aanpak levert dus verschillende opbrengsten op.

Dat heeft gevolgen voor hoe we naar ongelijkheid kijken. Veel discussies vertrekken nog altijd vanuit toegang: meer middelen, meer kansen, meer van hetzelfde voor iedereen. Maar als de opbrengst verschilt, dan is gelijke toegang niet voldoende. Je kan perfect eerlijk verdelen en toch ongelijkheid in stand houden.

De auteurs maken dat scherp door de kloof analytisch op te splitsen. Wat komt door verschillen in toegang, en wat door verschillen in opbrengst? Daaruit blijkt dat teacher-centered instructie de kloof tussen lage en midden SES-leerlingen verkleint, niet omdat ze anders verdeeld is, maar omdat ze meer oplevert voor leerlingen die het nodig hebben.

Dat schuurt met het verhaal dat op sommige plekken nog steeds dominant is. Niet omdat student-centered leren niet werkt, maar omdat het niet voor iedereen hetzelfde werkt en zeker niet op hetzelfde moment.

De implicatie is dan ook vrij nuchter. Het gaat minder om kiezen tussen didactieken en meer om volgorde en opbouw. Ja, dat heb ik al een paar keer geschreven, maar fijn dat dit ook nog in deze studie bevestigd wordt. Eerst zorgen voor voldoende kennis, structuur en houvast, en pas daarna ruimte voor autonomie. Zonder die basis wordt zelfstandigheid al snel leeg.

8 gedachten over “Niet alles wat werkt in onderwijs, werkt gelijk voor iedereen.

  1. Dank je!Wat is “Hoge SES ” en “Lage SES” bij deze onderzoeken?? SES indicatoren gaan over veel verschillende dingen. Zelfs de SES indicator “andere thuistaal dan Nederlands” zegt niets over mogelijkheden: een rijke thuistaal met veel interactie geeft veel leren, ook in het Nederlands. Theacher-centered instructie kan dus werken als kinderen wederkerige betekenisvolle interactie gewend zijn. Sommige kinderen zijn dit niet gewend. Ook kinderen die niet aantikken voor SES vertonen soms weinig leren: opgroeien doen we immers door aandacht te krijgen en aandacht terug te geven. Zonder begint de instap in onderwijs al met een achterstand. Met de verhoging van pensioenleeftijd(= minder grootouder-kind interactie), minder mogelijkheden tot deeltijds werken, kinderopvang met veel kinderen per begeleider, gaat het niet beteren. Ik ga de studies in deze post met veel interesse lezen dank je!

    • Goede vraag, en je nuance klopt.

      In deze studies is SES meestal een samengestelde maat: ouderlijke opleiding, inkomen, soms beroep. “Hoog” en “laag” zijn dus relatieve, statistische groepen, geen scherpe categorieën. Variabelen zoals thuistaal worden soms gebruikt, maar zijn inderdaad een ruwe proxy en zeggen op zich weinig over de rijkdom van de taalomgeving.

      Wat deze studie doet, is kijken naar opbrengstverschillen bovenop toegang. En daar zie je dat meer gestructureerde, teacher-centred instructie gemiddeld meer oplevert voor leerlingen met minder van die klassieke hulpbronnen.

      Dat zegt niet dat SES één ding is of dat jouw verklaring niet meespeelt. Integendeel. SES is vaak een container voor verschillen in interactie, verwachtingen en ondersteuning. Net daarom is het interessant dat sommige didactieken minder afhankelijk lijken van wat leerlingen van thuis meebrengen.

      Onderwijs lost de bredere context niet op, maar kan de effecten wel versterken of temperen. Dat is hier de kern.

      • “Onderwijs lost de bredere context niet op, maar kan de effecten wel versterken of temperen. Dat is hier de kern.” : helemaal akkoord! Ik kan het volledige wetenschappelijke artikel echter nergens te pakken krijgen..; Waar ik altijd op bots bij dit soort onderzoeken is (en dat is hier het vermoeden) dat het steeds gaat over een context waar onderwijs in het Engels wordt gegeven. Als in mijn kleuterschool leerkrachten in het Engels zouden lesgeven, zouden veel kinderen vlot(ter) aanpikken. Engels is een wereldtaal, Nederlands is dat niet, en het verkavelingvlaams is dat al zéker niet, dat zijn minstens 3 complexe dialecten door elkaar. Ik kijk dus hoopvol uit naar onderzoek in onze eigen, Vlaamse, context.

      • Ik vind eigenlijk dat de auteurs hier wat misleidend zijn. TIMSS heeft een composiete schaal die gestandaardiseerd is met gemiddelde 10 en standaarddeviatie 2 over de gehele TIMSS sample. Ze zeggen dat significante positieve effect voor student-centered alleen boven 9.2 (en geen effect daaronder). Voor teacher-centered zeggen ze significant positieve effect onder 7.6 en negatief boven 13.2 (ertussen geen significant effect). Met andere woorden, teacher-centered werkt voor een zeer kleine groep met zeer lage SES (75%) met geen negatief effect voor SES onder 9.2. Dat zou je niet uit de abstract halen. Ik keek ook nog eens naar de compositie van die 5% en er waren maar een paar scholen waar meer dan 5 leerlingen zo’n lage SES meting hadden. Ik zal de eerste zijn die geen harde conclusies hieruit zou halen, maar als je er dan toch wat uit zou halen, dan zou ik zeker positieve effect student-centered noteren, hetgeen de auteurs niet doen.

      • Je hebt gelijk dat die significante zones vrij beperkt zijn en dat je daar voorzichtig mee moet omgaan, zeker aan de onderkant van SES. Dat maakt sterke claims lastig. Zie ook mijn steeds weerkerende voorzichtigheid.

        Tegelijk blijft het bredere patroon wel overeind, denk ik? De opbrengst van teacher-centered instructie lijkt af te nemen naarmate SES stijgt. Voor student-centered is er inderdaad een voorzichtige indicatie in de andere richting, maar daar zijn de auteurs (terecht) terughoudend omdat het statistisch minder stevig staat.

  2. Pingback: Benutting van potentieel is geen luxe: het bepaalt of leraren blijven – Teacher Tapp Nederland

Geef een reactie