In discussies over goed rekenonderwijs lopen de meningen vaak hoog op, tot rekenoorlogen toe. Moeten we kinderen vooral zelf laten ontdekken, via discussie en samenwerking? Of werkt het beter als de leraar heel duidelijk voordoet en stap voor stap begeleidt? Een nieuwe Franse studie (Guilmois, Rohmer & Popa-Roch, 2025) levert daar interessant en prikkelend evidentie voor – en meteen ook stof tot nadenken.
De onderzoekers vergeleken in 24 klassen (groep 4) en 17 klassen (groep 7) twee aanpakken: socio-constructivistisch lesgeven en expliciete directe instructie. Het ging bovendien om scholen in de zogenoemde priority education networks in Martinique, waar de sociaal-economische uitdagingen groot zijn. Kortom: een setting waar het verschil dat goed lesgeven kan laken, extra zichtbaar kan worden.
De resultaten laten weinig twijfel: alle kinderen gingen vooruit, maar de leerlingen die expliciet les kregen, boekten aanzienlijk méér vooruitgang. Het ging om forse effecten. Vooral bij de jongere kinderen, waar het om aftrekken ging, leek expliciete instructie ook de kloof tussen zwakkere en sterkere leerlingen te verkleinen, wat we ook al bij eerdere studie zagen. Bij het concept ‘oppervlakte’ bij oudere leerlingen zagen we wel vooruitgang bij iedereen, maar bleef de kloof groter.
Dat zijn hoopgevende bevindingen. Ze sluiten ook aan bij eerdere meta-analyses die aantonen dat expliciete instructie – mits goed uitgevoerd – vaak de meest efficiënte manier is om basiskennis en -vaardigheden te verwerven, zeker voor leerlingen die risico lopen achterop te raken. In een tijd waarin te veel kinderen het niet goed doen voor rekenen (denk aan PISA en TIMSS), is dat geen klein bier.
Tegelijk is de nodige voorzichtigheid geboden. De onderzoekers zelf wijzen er terecht op dat er altijd factoren meespelen die je niet volledig kunt controleren: de ervaring van de leraar, de klasdynamiek, de schoolcontext. Bovendien gaat het om relatief korte interventies, waarbij men keek naar de directe effecten. Of de winst ook op langere termijn blijft, werd niet bekeken in deze studie. En er is altijd de vraag naar generaliseerbaarheid: werkt dit ook zo bij andere leeftijden, andere vakken, andere contexten?
Een bijkomend punt: in de controleklassen werd eigenlijk ook vooral constructivistisch gewerkt. De vergelijking was dus impliciet “constructivistisch versus expliciet”, niet zozeer “alles wat leraren normaal doen versus expliciet”. Dat maakt de conclusies tegelijk scherper (want de verschillen zijn groot) en minder breed toepasbaar (want er zijn ook nog andere lespraktijken denkbaar).
Wat mij vooral bijblijft is dat dit onderzoek ons opnieuw herinnert aan de noodzaak van precisie in het onderwijsdebat. Het is verleidelijk om een karikatuur te maken: constructivisme als ‘vrij laten zwemmen’ versus expliciet als ‘drillen’. In werkelijkheid gaat het om didactische keuzes die leraren maken, afhankelijk van leerdoelen, leeftijd en context. Dit onderzoek laat overtuigend zien dat bij cruciale basisvaardigheden – zoals rekenen in de onderbouw – duidelijke uitleg, begeleide inoefening en veel feedback het verschil maken (Oef, staat ook zo in ons nieuwe boek). Maar dat hoeft niet te betekenen dat er geen plaats meer is voor discussie, samenwerking of open problemen in andere fases van het leren.
Kortom: dit is sterk en relevant onderzoek, precies omdat het plaatsvond in echte klassen met leerlingen die het extra nodig hebben. Het bevestigt wat veel andere studies al suggereerden: expliciete instructie is geen dogma, maar een krachtig instrument. De uitdaging blijft om dat instrument zo in te zetten dat het niet alleen leerwinst oplevert op korte termijn, maar ook duurzame rekenvaardigheid, vertrouwen en wiskundig inzicht op lange termijn.
Abstract van het onderzoek:
In France, the proportion of low-achieving students in mathematics has increased, and the difference in results between the socially advantaged and disadvantaged students marks a significant achievement gap. The present research evaluates the effectiveness of socio-constructivist teaching compared to explicit teaching, in enabling second graders to learn subtraction and fifth graders to learn the concept area, in students from disadvantaged social backgrounds. Two randomised controlled pre- and post-tests studies were conducted. Multilevel statistical analyses were carried out (N = 454 and N = 321). Results showed that all the students progressed between the two assessments. However, those who were taught using explicit instruction performed better than those who were taught with socio-constructivist teaching (Study 1, Cohen’s f = 1.32; Study 2 Cohen’s f = 1.62). These results suggest that explicit teaching is particularly appropriate to help low achievers from disadvantaged social backgrounds acquire new, complex, and structured mathematical knowledge.
Wat me opvalt is dat het altijd gaat over ‘welke vorm’ gebruikt moet worden (directe instructie of constructivisme). Het gaat daarnaast vooral over hoe je directe instructie aanpakt (bv. voordoen, nadoen…). Ik mis echter input welke inhoud leraren in deze instructie best behandelen. Het gaat bij wiskunde immers niet (alleen) over het aanleren van technieken (die je kan voordoen en nadoen) maar ook over het opbouwen van inzichten. Het zou zeker zo waardevol zijn om na te denken over hoe je als leraar ‘voordoet’ dat je wiskunde ‘begrijpt’. Of welke dingen je mee hebt te geven zodat leerlingen de wiskunde ook begrijpen.
Pingback: Van rekenbasis tot probleemoplossing: wat twee nieuwe studies ons leren over de rekenoorlogen | X, Y of Einstein?
Pingback: Een kort fragment over hoe je werkt aan een goede relatie in de klas (en ook een over rekenen) | X, Y of Einstein?
Pingback: Teacher-centered vs student-centered: wat werkt voor wie?