We gebruiken het allemaal wel eens in onze klas. Groepswerk. Soms omdat het verwacht wordt, soms omdat het praktisch is, maar ook omdat samenwerken zelf een belangrijk leerdoel is. Alleen: het blijft een werkvorm waarbij je nooit helemaal zeker lijkt te kunnen van het resultaat.
De ene keer zie je leerlingen echt in gesprek gaan, elkaar helpen, ideeën uitwisselen. De andere keer krijg je één leerling die alles doet, twee die wat meeliften en eentje die vooral naar het plafond kijkt. De mayonaise pakt dus niet altijd. En meestal zoeken we de verklaring in wat er tijdens het groepswerk gebeurt: taakverdeling, duidelijke instructies, rollen, begeleiding.
Een recente studie van Sun en collega’s in Learning and Instruction draait dat perspectief om en stelt een eenvoudigere, maar fundamentelere vraag: wat als het probleem niet zit in hoe leerlingen samenwerken, maar in wie we samen zetten?
In hun onderzoek brachten ze eerst in kaart met wie leerlingen eigenlijk wíllen samenwerken wanneer ze vastlopen. Dat deden ze niet via vriendschap, maar via vrij concrete vragen: met wie zou je een probleem bespreken in wiskunde, taal of een andere les? Op basis van die voorkeuren maakten ze een sociaal netwerk en gebruikten ze dat als basis om groepen samen te stellen. Die werden vervolgens vergeleken met klassiek, eerder willekeurig samengestelde groepen.
De eerste bevinding is weinig spectaculair, maar wel belangrijk. Groepen die rekening houden met die bereidheid tot interactie zorgen voor een duidelijk betere interactiesfeer. Leerlingen praten meer, helpen elkaar vaker en blijven meer betrokken bij de taak. Dat is op zich logisch: als je naast iemand zit met wie je effectief wil praten, dan gebeurt die interactie ook gewoon sneller en vaker.
Interessanter wordt het wanneer je naar het leren kijkt. Op klasniveau zien Sun en collega’s dat die groepen ook iets betere leerresultaten halen. Niet spectaculair groot, maar wel consistent. Dat suggereert dat een betere interactiesfeer voorwaarden creëert die leren ondersteunen. Tegelijk blijft het belangrijk om hier voorzichtig te zijn. Het gaat om een beperkte, quasi-experimentele studie met drie klassen, en de auteurs zelf benadrukken dat we hier eerder over samenhang dan over harde causaliteit kunnen spreken.
Daarmee zijn we nog niet bij het meest interessante deel. Binnen die groepen blijkt namelijk dat “sterke” of centrale leerlingen het verschil niet systematisch maken. Leerlingen met een hoge interactie-invloed, degenen met wie veel anderen willen samenwerken, trekken hun groep niet consequent omhoog. Soms wel, soms niet. Interactie lijkt dus niet te werken via een eenvoudig mechanisme waarbij één leerling de rest mee omhoog stuwt.
Nog opvallender is dat de bereidheid van leerlingen om met de leerkracht te interageren geen significant verband vertoont met hun leerresultaten. Leerlingen die aangeven dat ze graag vragen stellen of hulp zoeken bij de leerkracht leren gemiddeld niet meer dan anderen. Dat betekent niet dat die interactie onbelangrijk is, maar wel dat “willen interageren” iets anders is dan effectief leren uit die interactie.
Wat betekent dat voor de praktijk? Niet dat we leerlingen gewoon zelf hun groepen moeten laten kiezen. Daar gaat dit onderzoek niet over. Wat het wel duidelijk maakt, is dat sociale dynamiek geen randvoorwaarde is, maar een essentieel onderdeel van hoe groepswerk functioneert. Wie je samen zet, bepaalt mee of interactie überhaupt op gang komt.
Tegelijk blijft de tweede stap even belangrijk. Interactie is geen garantie voor leren. Groepen waarin leerlingen graag met elkaar praten creëren een context waarin leren kán gebeuren. Maar wat er in die interactie gebeurt, blijft doorslaggevend. Zonder inhoudelijke focus, zonder sturing en zonder duidelijke doelen krijg je nog altijd gesprekken die weinig bijdragen aan leren.
Groepswerk werkt dus niet vanzelf, maar het faalt ook niet toevallig. De kans dat het werkt begint al vóór de opdracht start. Namelijk bij de vraag wie je naast wie zet. Maar zelfs dan moet de mayonaise nog altijd gemaakt worden.
Is er onderzocht of samenwerken tussen kinderen die drie jaar in een heterogene groep verblijven, zoals in montessorionderwijs, goed/beter met groepswerk uit de voeten kunnen. De keuze van de deelnemers om samen te werken is hier op basis van het onderwerp en ‘vrij” van een bepaalde leeftijd of voorkeur. Dit n.a.v de zinsnede: “Maar wat er in die interactie gebeurt, blijft doorslaggevend. Zonder inhoudelijke focus, zonder sturing en zonder duidelijke doelen krijg je nog altijd gesprekken die weinig bijdragen aan leren.”