Ik wil de mensen niet te eten geven die al beweerd hebben dat je van fouten leert. Soms gaat het zo ver dat men stelt “Wie nooit fouten maakt, leert niet”. Het klinkt aantrekkelijk en ergens klopt het ook, want ik ken niemand die nooit fouten maakt. Alleen zit er, zoals zo vaak in onderwijs, een belangrijke nuance achter.
Recent verscheen in Learning and Instruction een studie van Xing Li en collega’s waarin precies dat wordt onderzocht: hoe fouten tijdens het leren kunnen helpen, en wanneer ze dat juist niet doen. Hun conclusie is interessant, maar ook geruststellend voor wie het onderzoek rond leren al langer volgt. Fouten kunnen inderdaad helpen bij het leren, maar niet elke fout doet dat.
Het is trouwens niet de eerste keer dat dit thema hier opduikt. In 2024 schreef Jeroen Janssen hier al over een studie waarin werd gekeken naar wanneer fouten precies leerzaam kunnen zijn. En vorig jaar ging het hier ook al over hoe leerlingen kunnen leren van fouten in voorbeelden, de zogenaamde erroneous examples. De rode draad in dat onderzoek was telkens dezelfde: fouten worden pas leerzaam wanneer leerlingen ze actief analyseren en begrijpen.
De onderzoekers van deze nieuwe studie vergelijken twee manieren waarop fouten in het leerproces kunnen worden ingebouwd. In de eerste aanpak, die zij induced errors noemen, krijgen studenten eerst een vraag of een concept en moeten ze een antwoord proberen te formuleren voordat ze het juiste antwoord zien. Omdat ze het vaak nog niet weten, maken ze fouten. Daarna krijgen ze pas de correcte uitleg.
De tweede aanpak heet deliberate errors. Daar krijgen studenten eerst het juiste antwoord te zien en worden ze daarna gevraagd om bewust een echt wel mogelijke fout te formuleren en die vervolgens te corrigeren.
Beide strategieën passen in een bredere lijn van onderzoek die laat zien dat zogenoemd errorful learning; leren waarbij fouten een rol spelen, beter kan werken dan volledig foutloos leren. Dat heeft onder meer te maken met
- het genereren van antwoorden,
- het activeren van voorkennis en
- het moment waarop feedback wordt gegeven.
In het eerste experiment in de studie vergeleken Li en collega’s deze twee foutstrategieën met een eenvoudige controleconditie waarin studenten definities gewoon overschreven. Het resultaat was weinig verrassend maar wel duidelijk: beide foutstrategieën leidden tot betere retentie of herinnering van de begrippen dan simpelweg kopiëren. Dit lijkt me niet zo verbazend, want bij kopiëren is er nauwelijks denkactiviteit. En denken helpt onthouden.
Interessanter werd het wanneer de onderzoekers keken naar de aard van de fouten die studenten maakten. Daarbij bleek dat niet alle fouten even nuttig zijn. De cruciale factor bleek de inhoudelijke relatie tussen de fout en het juiste antwoord. Fouten die conceptueel dicht bij het juiste antwoord liggen, blijken veel leerzamer dan fouten die er ver vanaf staan. Ook weer niet zo vreemd. Een nonsensantwoord doet terug minder nadenken dan een antwoord dat correct had kunnen zijn.
Om dat beter te begrijpen, deden de onderzoekers een tweede experiment. Daar manipuleerden ze de voorkennis van studenten. Een deel van de deelnemers kreeg vooraf voorbeelden die hen inhoudelijk voorbereidden op de concepten die later moesten worden geleerd. Daardoor hadden ze net iets meer houvast.
Het effect was duidelijk. Studenten met meer voorkennis maakten fouten die inhoudelijk dichter bij het juiste antwoord lagen, en in die situatie werkte de strategie waarbij studenten eerst zelf een antwoord probeerden te genereren zelfs beter dan de strategie waarbij ze bewust fouten moesten bedenken.
Met andere woorden: fouten kunnen helpen bij leren, maar alleen wanneer ze deel uitmaken van een betekenisvolle zoekpoging naar het juiste antwoord.
Dat klinkt misschien als een detail, maar het is een belangrijke nuance. Wanneer leerlingen totaal geen voorkennis hebben, zijn hun fouten vaak willekeurig of irrelevant. In dat geval leveren deze fouten weinig op. Wanneer ze daarentegen al een kader hebben waarbinnen ze denken, kunnen hun fouten precies datgene activeren wat nodig is om nieuwe informatie beter te onthouden.
Het onderzoek van Li en collega’s sluit daarmee mooi aan bij een bredere conclusie uit de cognitieve psychologie: leren is zelden een kwestie van simpelweg fouten maken of vermijden. Het gaat erom wat er cognitief gebeurt rond die fouten. Een fout kan nieuwsgierigheid opwekken, aandacht richten op feedback en een kennisgat zichtbaar maken. Maar dat werkt alleen wanneer de leerling voldoende aanknopingspunten heeft om die fout te begrijpen.
Voor onderwijs betekent dit iets vrij eenvoudigs maar ook vrij fundamenteels. Het idee dat leerlingen “maar moeten proberen en fouten maken” is gewoon te simplistisch. Productieve fouten ontstaan meestal binnen een kader van instructie, voorkennis en gerichte feedback. Of anders gezegd: fouten kunnen een krachtige motor voor leren zijn, maar alleen wanneer ze niet in het luchtledige gebeuren.