“Je brein begint al na tien minuten AI-gebruik weg te rotten”, kopte Vice deze week. Ook elders verschenen vergelijkbare interpretaties van een nieuwe preprint over AI-gebruik en cognitieve prestaties. Toen ik het onderzoek besprak bij Nieuwe Feiten probeerde ik het onderzoek correcter weer te geven.
De studie zelf is nochtans interessanter dan de headlines doen vermoeden. Onderzoekers van onder andere Carnegie Mellon, Oxford en MIT onderzochten in een reeks gerandomiseerde experimenten wat er gebeurt wanneer mensen korte tijd met AI werken en daarna opnieuw zonder AI moeten functioneren. In totaal namen 1.222 deelnemers deel aan experimenten rond het oplossen van breuken en leesbegrip. De opzet was relatief eenvoudig: sommige deelnemers kregen toegang tot GPT-5 tijdens het oefenen, anderen niet. Daarna moest iedereen vergelijkbare taken zelfstandig oplossen, zonder AI.
Wat bleek? Tijdens het gebruik van AI presteerden deelnemers beter. Dat zal weinig mensen verbazen. Maar zodra de AI wegviel, scoorden de deelnemers die AI hadden gebruikt gemiddeld slechter dan de controlegroep. Bovendien gaven ze sneller op. Vooral deelnemers die AI vooral gebruikten om rechtstreeks antwoorden te krijgen, bleken nadien minder goed zelfstandig te functioneren.
Dat klinkt ernstig en het is wel degelijk iets om in de gaten te houden. De effectgroottes waren meestal klein tot matig. In de strengere replicatie van het experiment daalde het effect bovendien behoorlijk. Daarnaast ging het om zeer korte, artificiële taken in een online setting. Breuken oplossen gedurende tien minuten op Prolific (een platform waar je je kan aanmelden om mee te doen aan bijvoorbeeld dergelijke experimenten) is niet hetzelfde als maandenlang leren in een echte klascontext. Het onderzoek toont dus geen “hersenschade” of permanente cognitieve achteruitgang. Wat het wél laat zien, is iets dat eigenlijk al langer bekend is uit onderzoek naar cognitieve offloading: wanneer mensen taken systematisch uitbesteden aan hulpmiddelen, oefenen ze bepaalde vaardigheden minder zelf.
Dat idee is dus niet nieuw. We zagen gelijkaardige discussies eerder al bij rekenmachines, gps-systemen, zoekmachines en spellingcorrectors. Mensen onthouden minder telefoonnummers sinds smartphones bestaan. We navigeren slechter zonder gps. Wie altijd autocorrect gebruikt, schrijft mogelijk minder accuraat zonder ondersteuning. Dat betekent niet automatisch dat technologie slecht is. Het betekent vooral dat ondersteuning en afhankelijkheid vaak samen bewegen.
Interessant in deze studie is vooral dat niet elk AI-gebruik hetzelfde effect had. Deelnemers die AI gebruikten voor hints of verduidelijking deden het achteraf beter dan deelnemers die gewoon oplossingen vroegen. Dat sluit mooi aan bij ouder onderzoek rond scaffolding, productive struggle en begeleiding. Goede ondersteuning neemt het denken niet volledig over, maar helpt mensen nét genoeg om zelf verder te kunnen.
En precies daar zit wellicht de echte onderwijsdiscussie rond AI. Niet: “werkt AI?” Natuurlijk werkt AI voor veel taken en kan het tegelijk leren hinderen. De relevantere vraag is: wat blijft er over wanneer de AI wegvalt? Of nog preciezer: welke vormen van AI-gebruik versterken autonomie, en welke ondermijnen die?
De auteurs van de studie formuleren dat eigenlijk vrij genuanceerd. Hun kritiek richt zich minder op AI op zich dan op het feit dat huidige systemen vooral geoptimaliseerd zijn voor onmiddellijke hulp en gebruikerstevredenheid. AI-systemen geven snel antwoorden, lossen frictie op en zeggen zelden: probeer nog eens zelf. Dat is handig op korte termijn, maar mogelijk minder ideaal voor langdurige competentieontwikkeling.
Dat betekent niet dat we nu plots generatieve AI uit onderwijs moeten bannen. Maar wel dat het verschil tussen “presteren mét ondersteuning” en “leren zonder ondersteuning” opnieuw centraal komt te staan. Eigenlijk is dat een oude onderwijsles in een nieuw technologisch jasje. En een discussie die ook aanzet om ernstig na te denken over curricula.