Onderwijsongelijkheid: wat twee nieuwe studies ons leren

De afgelopen jaren heb ik al vaak geschreven over onderwijsongelijkheid. Dat is ook niet verwonderlijk. Verschillen tussen leerlingen behoren tot de meest besproken thema’s in onderwijsbeleid en ik beken met plezier dat het thema me ook na aan het hart ligt. Tegelijk zijn ze ook een van de moeilijkste onderwerpen om over te praten. Zodra de vraag gesteld wordt waarom sommige leerlingen meer succes hebben op school dan anderen, kun je al snel belanden in discussies over armoede, opvoeding, motivatie, cultuur, schoolkwaliteit, intelligentie of, voor sommigen erger nog, genetica. Vaak lijken die verklaringen zelfs tegenover elkaar te staan, terwijl de werkelijkheid meestal een stuk ingewikkelder is. Twee nieuwe publicaties tonen dit samen aan.

Zo bracht een recent rapport van het Education Policy Institute (EPI) en de Education Endowment Foundation (EEF) opnieuw cijfers aan die tot nadenken stemmen. De onderzoekers volgden de ontwikkeling van de zogenaamde disadvantage gap in Engeland en kwamen tot de conclusie dat bijna de helft van de achterstand die kansarme leerlingen op zestienjarige leeftijd hebben, al aanwezig was tegen het einde van het lager onderwijs. Met andere woorden: een groot deel van de ongelijkheid ontstaat niet tijdens de adolescentie, maar veel eerder. Op zich is dat geen nieuwe vaststelling. Ze sluit aan bij eerder werk van onder meer James Heckman en vele anderen. Toch blijft het een weinig opbeurende conclusie.

Onderwijsexpert Dylan Wiliam reageerde op sociale media op het rapport met een interessante observatie. Hij wees erop dat genetische factoren nergens in het model worden meegenomen. Dat is op zich een terechte wetenschappelijke opmerking. Wanneer onderzoekers proberen te verklaren waarom leerlingen uit elkaar groeien in prestaties, dan is genetica immers een mogelijke factor. Als die niet wordt meegenomen, blijft een deel van het verhaal mogelijk buiten beeld. Tegelijk is genetica niet bepaald een factor waar scholen of beleidsmakers rechtstreeks op kunnen ingrijpen. Maar het verhaal blijkt nog complexer.

Gisterochtend las ik een heel ander onderzoek dat vrijwel gelijktijdig in Science verscheen. Het onderzoek spreekt Dylan niet tegen en weerlegt ook niets uit het EPI/EEF-rapport. Het voegt vooral een extra laag toe aan mogelijke verklaringen. De studie van Scott Marek en collega’s onderzocht namelijk de relatie tussen hersenontwikkeling en maar liefst 649 verschillende variabelen bij duizenden kinderen. De onderzoekers wilden weten welke factoren het sterkst samenhangen met verschillen in hersenstructuur en hersenfunctie. Hun verwachting was niet per se dat sociaaleconomische factoren bovenaan zouden eindigen. Toch bleek dat precies het geval te zijn.

Van alle onderzochte variabelen waren sociaaleconomische omstandigheden de sterkste en meest reproduceerbare voorspellers van verschillen in hersenorganisatie. Zelfs sterker dan intelligentie, persoonlijkheid of mentale gezondheid. De sterkste associatie vond men met de sociaaleconomische kansen die de buurt biedt waarin een kind opgroeit.

Dat alleen al is interessant en confronterend. Maar nog interessanter is wat de onderzoekers vervolgens deden. Ze bekeken welke hersengebieden precies betrokken waren. Je zou kunnen verwachten dat verschillen vooral zichtbaar zouden zijn in gebieden die samenhangen met complexe cognitieve processen. Dat bleek echter niet het geval. De gevonden patronen leken veel sterker op patronen die in ander onderzoek geassocieerd worden met slaap, stress en arousal. Ze overlapten bijvoorbeeld opvallend met patronen die je kan zien bij slaaptekort en met neurobiologische systemen die betrokken zijn bij alertheid en stressregulatie.

Dat betekent uiteraard niet dat de onderzoekers hebben bewezen dat slaaptekort of stress de oorzaak zijn van onderwijsongelijkheid. Zo werkt wetenschap niet. Wat ze wel laten zien, is dat sociaaleconomische omstandigheden via zulke mechanismen mogelijk invloed uitoefenen op de ontwikkeling van kinderen. Als je opgroeit in een omgeving met meer stressoren, minder rust, meer onzekerheid of minder mogelijkheden om goed te slapen, dan zou dat een deel van de gevonden verschillen kunnen helpen verklaren. Dit ligt in lijn met veel onderzoek waar ik al op mijn andere blog over schreef.

En precies daar wordt het interessant in relatie tot het EPI-rapport. Dylan Wiliam heeft gelijk dat genetica niet expliciet in dat model zit. Maar tegelijk suggereert deze nieuwe studie dat ook factoren als stress, slaap en leefomgeving ook een enorm grote rol kunnen spelen.

Beide publicaties herinneren ons eraan dat onderwijsongelijkheid geen probleem met één oorzaak is. Scholen kunnen niet alles oplossen, maar dat betekent niet dat ze machteloos zijn. Integendeel. Juist omdat verschillen zo vroeg ontstaan en zich op zoveel manieren kunnen opstapelen, blijft goed onderwijs een van de krachtigste hefbomen die we hebben.

Geef een reactie