Een Finse studie die jongeren gedurende acht jaar volgt en hun beweging en schermtijd op verschillende momenten bijhoudt, om vervolgens te kijken hoe dit samenhangt met hun cognitieve prestaties als adolescenten. Klinkt indrukwekkend, en dat is het ook. En het wordt helemaal apart als meer schermtijd positief lijkt samen te hangen met cognitie. Maar… toch maar even dieper kijken.
Petri Jalanko en zijn collega’s gebruikten voor hun onderzoek gegevens uit de Finse PANIC-studie. De kinderen waren bij de start ongeveer acht jaar oud en werden acht jaar later opnieuw onderzocht. Voor deze analyse konden de onderzoekers gegevens gebruiken van 260 jongeren. Men bevroeg beweging en sedentair (zittend) gedrag niet alleen via vragenlijsten, maar controleerde ook met een Actiheart, een toestel dat beweging en hartslag registreert. Op die manier konden de onderzoekers zelfgerapporteerd gedrag vergelijken met objectief gemeten beweging.
Op hun zestiende kregen de jongeren vervolgens een reeks cognitieve tests voorgeschoteld. Daarbij keken de onderzoekers onder andere naar aandacht, reactiesnelheid, werkgeheugen en het leren van associaties. Belangrijk om al meteen te vermelden: die cognitieve testbatterij werd enkel op het einde van de studie afgenomen. Bij de start was er wel een andere test voor non-verbaal redeneren, waarmee de onderzoekers in hun analyses konden controleren.
Je zou verwachten dat meer bewegen samenhangt met betere cognitieve prestaties en meer schermtijd met slechtere, maar dat bleek niet het geval! Voor de objectief gemeten fysieke activiteit en het objectief gemeten sedentair gedrag vonden de onderzoekers bij de volledige groep eigenlijk geen verband met de cognitieve prestaties.
Als men naar de zelfgerapporteerde gegevens keek bleek meer ongeorganiseerde fysieke activiteit samen te hangen met een slechtere score op een werkgeheugentaak. Nu opgelet, dat verband moet wel meteen met de nodige voorzichtigheid worden bekeken, want het overleefde de correctie voor de vele statistische vergelijkingen niet.
Voor schermtijd zagen de onderzoekers iets nog opvallenders. Jongeren die over de jaren heen meer schermtijd rapporteerden, reageerden sneller op twee werkgeheugentaken en scoorden gemiddeld ook beter op de samengestelde maat voor cognitie. Die verbanden bleven wel overeind na correctie voor multiple testing.
Maken schermen kinderen dan opeens slimmer! Nee, dit is het moment waarop de woordjes maar uit de inleiding en lijken uit de titel belangrijk worden.
Om te beginnen gaat het hier om (daar zijn ze weer) correlaties. De onderzoekers kunnen op basis van deze studie niet besluiten dat meer schermtijd betere cognitieve prestaties veroorzaakt. Het kan bijvoorbeeld ook zijn dat jongeren met sterkere cognitieve vaardigheden hun schermen anders gebruiken. De onderzoekers hebben wel geprobeerd dit probleem kleiner te maken door rekening te houden met het non-verbale redeneervermogen bij de start van de studie, maar daarmee verdwijnt de mogelijkheid van omgekeerde causaliteit niet. Dat erkennen de auteurs zelf ook uitdrukkelijk.
Maar er is nog iets meer fundamenteels aan de hand: wat is schermtijd eigenlijk? In deze studie wordt onder schermtijd onder andere televisie en video’s kijken, computergebruik, videogames, mobiele telefoons en mobiele games verstaan. Dat zijn behoorlijk verschillende bezigheden. Een uur gamen is niet noodzakelijk hetzelfde als een uur passief filmpjes bekijken. En zelfs binnen één categorie kan het verschil enorm zijn.
Dat is belangrijk, omdat het misschien niet het scherm is dat ertoe doet, maar wat iemand tijdens die schermtijd doet. De onderzoekers opperen zelf dat zowel schermtijd als ander sedentair gedrag activiteiten kunnen omvatten die cognitief best uitdagend zijn. Denk bijvoorbeeld aan lezen en schrijven, huiswerk maken, videogames of bordspellen.
En daarmee wordt ook het vreemde resultaat voor bewegen iets begrijpelijker. De onderzoekers suggereren als mogelijke verklaring dat veel ongeorganiseerde fysieke activiteit tijd kan verdringen die anders bijvoorbeeld aan lezen of huiswerk zou worden besteed. Maar dit is nadrukkelijk een mogelijke verklaring, geen resultaat van het onderzoek zelf.
Er zit bovendien nog een interessante waarschuwing in deze studie verborgen. De resultaten verschillen namelijk afhankelijk van hoe je beweging meet. De opvallende verbanden zitten vooral in de zelfrapportages. Wanneer de onderzoekers kijken naar wat de meetapparatuur daadwerkelijk registreerde, verdwijnen de meeste verbanden. Dat kan betekenen dat vragenlijsten onnauwkeurig zijn, maar ook dat zo’n bewegingsmeter iets belangrijks mist. Een toestel kan prima meten hoeveel iemand beweegt, maar weet niet wat iemand ondertussen aan het doen is. De context van gedrag kan dus belangrijker zijn dan het aantal minuten bewegen of stilzitten.
Bij meisjes vonden de onderzoekers trouwens nog een uitzondering: meer objectief gemeten lichte fysieke activiteit hing bij hen samen met beter werkgeheugen. Bij jongens werd dat verband niet gevonden. De auteurs zijn voorzichtig met de verklaring daarvan, maar opperen bijvoorbeeld dat lichte activiteit bij meisjes ook sociale activiteiten kan omvatten.
Ok, wat hebben we hier dan aan? Deze studie toont vooral hoe gevaarlijk het kan zijn om begrippen als schermtijd, sedentair gedrag en zelfs beweging te behandelen alsof het om eenduidige activiteiten gaat. Een uur achter een scherm zegt op zichzelf bijzonder weinig over wat iemand dat uur heeft gedaan. En een bewegingsmeter vertelt ons hoeveel iemand beweegt, maar niet noodzakelijk wat die activiteit betekent.
De studie blijft echt behoorlijk sterk: acht jaar opvolging, verschillende meetmomenten, zowel vragenlijsten als objectieve bewegingsmetingen en controle voor verschillende mogelijke verstorende variabelen. Maar de onderzoekers noemen, zoals goede wetenschappers zelf ook, de belangrijke beperkingen die ik ook vermeldde. En hierdoor zet deze studie dus uiteindelijk minder op zijn kop dan de resultaten op het eerste gezicht doen vermoeden.