We beginnen allemaal ongelijk aan de start van het leven. James Heckman stelde ooit dat geboren worden de grootste bron van ongelijkheid is. En in feite is onderwijs een van onze pogingen om dit ongedaan te maken. Stel nu dat kinderen op vierjarige leeftijd goed kleuteronderwijs krijgen en hierdoor een voorsprong opbouwen ten aanzien van kinderen die niet naar de kleuterschool gaan. Vervolgens meet je een paar jaar later opnieuw de leer- en ontwikkelprestaties van de kinderen. Nu komt er een vraag die moeilijker is dan je denkt: wat hoop je dan te zien?
Misschien is het antwoord wel: die voorsprong is er dan nog steeds. Misschien is die voorsprong zelfs nog groter geworden. Maar als het verschil verdwenen zou zijn, zou dat al snel als slecht nieuws klinken. Het oorspronkelijke effect van kleuteronderwijs zou dan blijkbaar ‘uitgedoofd’ zijn.
Maar… er is nog een andere mogelijkheid. Misschien ging de eerste groep helemaal niet achteruit. Het kan ook dat de andere kinderen hen gewoon gedeeltelijk hebben ingehaald! Een dergelijk onderscheid is niet altijd gemakkelijk te vinden in onderzoek naar de langetermijneffecten van kleuteronderwijs. Een nieuwe Amerikaanse studie van Kaitlyn Mumma en collega’s maakt mooi duidelijk waarom en doet nog wel wat meer.
Een grote steekproef (maar niet zo groot als in het persbericht)
De onderzoekers volgden maar liefst 27.814 kinderen (opvallend: het persbericht sprak over 400.000 kinderen) die op vierjarige leeftijd verschillende vormen van voorschoolse opvang of onderwijs hadden gevolgd. Het ging in deze steekproef vooral om kinderen uit gezinnen met een laag inkomen. Een grote groep van deze kinderen volgde pre-K in een publieke school, anderen gingen naar een kinderdagverblijf of werden opgevangen in een kleinschalige opvang bij iemand thuis. Vervolgens keken de onderzoekers hoe deze kinderen het enkele jaren later deden in het derde leerjaar.
Laat ik meteen een mogelijk misverstand uit de weg ruimen. De studie toont niet dat het er uiteindelijk niet toe doet welke voorschoolse ervaringen kinderen hebben gehad. Het is geen anti-kleuterschoolresultaat, integendeel.
De kinderen die public-school kleuteronderwijs hadden gevolgd, haalden in het derde leerjaar nog steeds gemiddeld betere resultaten voor lezen en wiskunde en kregen ook betere schoolresultaten dan kinderen die naar een kinderdagverblijf of familiale opvang waren gegaan. De verschillen waren wel niet groot, maar ze bleven bestaan nadat de onderzoekers onder andere rekening hadden gehouden met armoede en met cognitieve vaardigheden die al op vierjarige leeftijd waren gemeten bij de kleuters.
Tot zover zou je deze studie dus kunnen samenvatten als: een goede start blijft ertoe doen, maar de onderzoekers waren vooral geïnteresseerd in wat er na het kleuteronderwijs zoal gebeurt.
Wat als de lagere school ook goed is?
Het team onderzocht namelijk of het verschil tussen de groepen afhing van de kwaliteit van de basisschool waar kinderen vervolgens terechtkwamen. Daarvoor gebruikten ze de officiële beoordeling die scholen in deze Amerikaanse staat kregen. Hierbij werd kwaliteit wel (maar) grotendeels bepaald op basis van toetsprestaties en de vooruitgang van leerlingen (belangrijke beperking, imho)
Je zou nu kunnen verwachten dat een goede kleuterschool en een goede basisschool elkaar versterken. Een vroege voorsprong krijgt dan als het ware telkens nieuwe brandstof en blijft daardoor bestaan en de verschillen worden groter. Dat idee doet denken aan wat in de literatuur dynamic complementarity wordt genoemd en sterk verbonden is met het werk van econoom James Heckman: investeringen op verschillende momenten in de ontwikkeling kunnen elkaar versterken. Vroege investeringen maken latere investeringen productiever. Ja, Heckman is een econoom.
Maar… de werkelijkheid blijkt weerbarstiger. Voor wiskunde en de algemene schoolresultaten maakte de kwaliteit van de latere basisschool geen significant verschil voor de omvang van de oorspronkelijke kleuterschoolvoorsprong. Voor lezen stelden de onderzoekers iets anders vast. Daar werd namelijk het verschil tussen kinderen uit de kleuterscholen en vergelijkbare kinderen uit kinderdagverblijven kleiner naarmate de basisschool beter was. Je leest het goed: niet groter, maar kleiner.
Let wel, het effect is behoorlijk bescheiden. Bij de kinderen uit de armere gezinnen bedroeg de oorspronkelijke leesvoorsprong ongeveer 0,08 standaarddeviatie. Een stapje beter in schoolkwaliteit ging samen met een vermindering van dat verschil met ongeveer 0,03 standaarddeviatie. De oorspronkelijke voorsprong verdween dus voor alle duidelijkheid ook niet. Maar de richting van deze evolutie is razend interessant.
Een mogelijke verklaring is namelijk niet dat kinderen die een betere kleuterschool hadden gevolgd minder gingen leren eenmaal in het basisonderwijs. Het kan namelijk ook zijn dat betere basisscholen er beter in slagen om kinderen die met een achterstand beginnen te laten inhalen. Ik ben bang dat je misschien ondertussen hebt afgehaakt, want het zijn wel wat stappen, maar to the point uitgelegd: hoe beter het latere onderwijs erin slaagt verschillen tussen kinderen weg te werken, hoe kleiner het gemeten langetermijneffect wordt. En dat is echt geen slecht nieuws, ook niet voor kleuteronderwijs.
Wanneer is fade-out goed nieuws?
De onderzoekers spreken liever niet over fade-out maar over convergence. Fade-out suggereert namelijk dat iets wat kinderen geleerd hadden langzaamaan zou verdwijnen. Maar wanneer je jaren later alleen de prestaties van twee groepen met elkaar vergelijkt, kun je dat eigenlijk niet zeggen.
Laat ik het duidelijk maken met een extreem voorbeeld. Stel dat groep A na de kleuterschool op 60 staat en groep B op 50. Enkele jaren later staan ze allebei op 80. Dan is het oorspronkelijke verschil volledig verdwenen. Maar beide hebben wel degelijk geleerd!
Maar er is nogal een verschil tussen de conclusie ‘de opbrengst van de kleuterschool is verdwenen’ en ‘de andere kinderen hebben hun achterstand ingehaald’. Voor kinderen die op vierjarige leeftijd in familiale opvang zaten, zien de onderzoekers zelfs een opvallend patroon dat daarop aansluit. Op de zwakker scorende basisscholen blijven zij duidelijk achter bij de andere groepen, terwijl dat verschil op de best scorende scholen vrijwel verdwijnt. Let wel, in de steekproef bestond deze groep wel maar uit 266 kinderen en dat is hier echt te klein om de belangrijkste interactie statistisch degelijk te toetsen. Meer onderzoek nodig dus…
Geen weerlegging van Heckman
Je zou dit alles kunnen lezen als een correctie op Heckman. Het was iets wat ik oorspronkelijk dacht, maar nu wil ik het geen weerlegging meer noemen. Daarvoor is deze studie namelijk niet geschikt. En ik zie daarvoor een paar redenen.
Het gaat ten eerste om observationeel onderzoek. Kinderen werden niet willekeurig over de verschillende vormen van kleuteronderwijs verdeeld (als dat al ethisch zou kunnen). Bovendien is de maat voor de kwaliteit van de basisschool zoals ik al schreef, behoorlijk grof.
Ook hebben de onderzoekers weinig zicht op hoe goed de verschillende voorschoolse voorzieningen zelf precies waren. Ze kennen wel het type opvang, maar beschikken niet over een directe kwaliteitsmeting. Ook de volledige opvanggeschiedenis van de kinderen ontbreekt in hun dataset. Los hiervan, ten overvloede, speelt het onderzoek zich af in één specifieke Amerikaanse context. Voor Vlaanderen of Nederland kun je de resultaten dus niet zomaar overnemen.
Tegelijk maakt de studie wel iets zichtbaar dat gemakkelijk verloren gaat wanneer we over de langetermijneffecten van onderwijsinterventies praten. We beschouwen een verschil dat jaren later nog bestaat meestal als bewijs van succes. En wanneer dat verschil verdwijnt, spreken we al snel over fade-out. Maar wellicht moeten we altijd nog een tweede vraag stellen, namelijk: waarom is het verschil verdwenen?
Want een verschil kan verdwijnen doordat een eerdere voorsprong verloren gaat, maar evengoed omdat het onderwijs daarna erin slaagt andere kinderen in te halen. En dat zijn twee totaal verschillende verhalen.
Alsof het kleuteronderwijs alleen maar waardevol zou zijn als het goed voorbereidt op cognitieve vaardigheden. Dit misverstand geldt niet alleen voor dit onderwerp, maar voor de hele maatschappij. Dure woorden en ingewikkelde uitleg zijn niet nodig. Goed onderwijs voedt kinderen op tot totale mensen, met alle mogelijkheden die de natuur hen heeft gegeven. Mentaal, fysiek, emotioneel, sociaal en waarschijnlijk nog heel veel meer. Vanaf welke leeftijd de overheid die taak van ouders over zou moeten nemen door onderwijs verplicht te stellen en te faciliteren is een ander verhaal. Maar door het nut van onderwijs af te meten aan de hand van cognitieve testen slaat men de plank volledig mis.
Elk onderzoek heeft een focus en beperkingen. Geen enkel onderzoek kan allesomvattend zijn.