Een kans om na te denken in de klas betekent nog niet per se echt denken

Er zit een zekere ironie in het artikel en onderzoek dat ik vandaag met jullie wil bespreken. Ik heb er namelijk behoorlijk hard over moeten nadenken om het te begrijpen. Nee, echt dit onderzoek van Sergiou en collega’s leest ongelooflijk stroef. Maar het gaat wel over iets essentieels in de vaak terugkerende discussie over actief en passief leren. Een goede leraar laat leerlingen namelijk niet alleen antwoorden geven, maar laat hen ook hopelijk uitleggen waarom een antwoord klopt. Of vraagt door naar verschillende oplossingen, laat kennis toepassen in nieuwe situaties of laat de leerlingen nadenken over problemen waarvoor de oplossing niet meteen voor de hand ligt. In dit en andere onderzoek wordt dit cognitieve activatie genoemd. Het klinkt misschien wat technisch, maar het idee erachter is vrij eenvoudig: onderwijs moet leerlingen aan het denken zetten. En gebeurt dit ook?

Wel, net daar zit er een probleem. Je kunt als leraar een prachtige vraag stellen die leerlingen uitnodigt om diep na te denken, maar dat betekent nog niet dat iedere leerling dat vervolgens ook doet. Wat baten kaars en bril, als de uil niet ziene wil? Na een tijdje lezen had ik door dat precies dat onderscheid centraal staat in deze studie van Sergiou en collega’s. Zij maken concreet het onderscheid tussen

  • de mogelijkheid tot cognitieve activatie
  • het daadwerkelijke gebruik ervan door leerlingen.

Of eenvoudiger gezegd: tussen de kans krijgen om na te denken en daadwerkelijk nadenken.

Laten we het concreter maken. Stel dat een leraar een moeilijke wiskundeopgave geeft en leerlingen vraagt om verschillende oplossingsstrategieën te bedenken en met elkaar te vergelijken. Vanuit het perspectief van de leraar is er dan een mooie kans gecreëerd voor cognitieve activatie, aka denken. Maar de reacties van leerlingen kunnen nogal zwaar verschillen. Leerling A probeert werkelijk verschillende oplossingen uit en denkt na over waarom ze werken. Leerling B vindt één oplossing en houdt het daarbij. Dan is er ook nog leerling C wacht tot iemand anders het antwoord geeft terwijl leerling D sowieso zat te dromen. De kans tot ‘denken’ is min of meer dezelfde voor al deze leerlingen. Het is het gebruik dat verschilt.

Eerder onderzoek keek volgens de auteurs vooral naar dat eerste: in welke mate creëert het onderwijs mogelijkheden om leerlingen cognitief uit te dagen? Veel minder onderzoek keek tegelijk naar wat leerlingen vervolgens met die mogelijkheden doen. De resultaten van eerder onderzoek naar cognitieve activatie bleken trouwens nogal gemengd, dus… dit nieuwe onderzoek.

De onderzoekers volgden 542 leerlingen van gemiddeld ongeveer elf jaar in 31 klassen in Cyprus. Alle leraren gaven dezelfde drie lessen algebra uit het nationale leerboek. Deze 93 lessen werden gefilmd en beoordeeld door getrainde observatoren. Daarnaast vulden de leerlingen ook nog vragenlijsten in.

Wat leren we? Ja, wat de leerkracht doet, doet ertoe. Je zou misschien hebben gedacht dat uiteindelijk alleen telt wat een leerling daadwerkelijk doet, zoals de eerdere spreuk suggereerde. De leraar kan nog zulke mooie mogelijkheden aanbieden, als de leerling er niet op ingaat, heb je er weinig aan. De onderzoekers verwachtten daarom zelfs dat de daadwerkelijke cognitieve activiteit van leerlingen sterker zou samenhangen met de uitkomsten dan de mogelijkheden die de leraar creëerde. Maar dat was niet het geval!

Meer nog: de beoordeling door deskundige observatoren van de cognitieve mogelijkheden tijdens de lessen was de sterkste en meest consistente voorspeller.

Voor algebra vonden de onderzoekers een behoorlijk sterk verband van β = .45. Ook voor interesse in wiskunde vonden ze een verband van β = .48. Vooral de verschillen tussen klassen waren opvallend: de expertbeoordeling van cognitieve activatie verklaarde ongeveer 18 procent van de verschillen tussen klassen in algebraresultaten bovenop de variabelen waarvoor de onderzoekers al controleerden.

De beoordelingen van de leerlingen zelf hingen ook samen met hun prestaties, maar duidelijk minder sterk. Zo hing de individuele perceptie van de aangeboden cognitieve activatie samen met algebraresultaten met β = .10. De cognitieve activiteit die leerlingen zelf rapporteerden, had een verband van β = .13.

De onderzoekers vonden dan ook geen bewijs voor hun verwachting dat het daadwerkelijke gebruik van de mogelijkheden belangrijker zou zijn dan het aanbod ervan. In het volledige model deed de beoordeling door externe experts het zelfs significant beter dan de maten voor cognitieve activiteit van leerlingen. Dat betekent natuurlijk niet dat het voldoende is om als leraar moeilijke opdrachten voor de klas te gooien en vervolgens te hopen op het beste.

Maar… en nu eindig ik op een cliffhanger… er zit nog een tweede deel in dit verhaal. En dat is voor morgen.

Geef een reactie