Taalvaardigheid als (jong) kind voorspelt sociale mobiliteit dertig jaar later

Vrijdag stuurde mijn vrouw me dit onderzoek door. James Bruce Tomblin en collega’s volgden een groep mensen ongeveer dertig jaar lang, van de kleuterklas tot hun midden dertig. De onderzoekers wilden weten of verschillen in mondelinge taalvaardigheid op jonge leeftijd iets konden voorspellen over de sociaaleconomische positie die mensen veel later als volwassene zouden bereiken. Wat bleek? Het korte antwoord: behoorlijk veel. Lees het interessante, maar toch ook weer genuanceerde verhaal

De onderzoekers beschikten over gegevens van 114 mensen die als kind deel uitmaakten van een veel groter longitudinaal onderzoek (19% van de oorspronkelijke steekproef). Hun mondelinge taalvaardigheid werd uitgebreid gemeten in de kleuterklas en opnieuw in het tweede leerjaar, onder andere via woordenschat, zinsbegrip, luistervaardigheid en het kunnen vertellen van verhalen. Daarnaast werden er ook gegevens verzameld over hun non-verbale intelligentie, de sociaaleconomische situatie van hun ouders en hun latere schoolprestaties. Wat al een behoorlijke dataset was, werd aangevuld toen de deelnemers tussen 35 en 38 jaar oud waren. Toen keken de onderzoekers opnieuw naar hun opleiding, inkomen en beroepsstatus.

Dit bracht hen tot deze opvallende constatering: wanneer de onderzoekers rekening hielden met verschillen in non-verbale intelligentie, hing de vroege taalvaardigheid samen met ongeveer 24 procent van de verschillen in sociaaleconomische positie dertig jaar later! Ter vergelijking: weet dat de sociaal-economische achtergrond bij onderzoeken zoals PISA rond de 11% zit (met uitschieters in Vlaanderen tot rond de 20%) en dan weet je dat dit groot is, ook al gaat het over een andere maat.

De onderzoekers probeerden vervolgens dat verband uiteen te rafelen en maken daarbij onderscheid tussen twee processen.

Het eerste noemen ze persistence. Kinderen groeien op in gezinnen met een bepaalde sociaaleconomische positie en een deel daarvan wordt van generatie op generatie doorgegeven. Denk ook aan generatiearmoede, of de andere kant van het verhaal, nepotisme. In deze studie verklaarde de sociaaleconomische positie van het gezin ongeveer 12 procent van de verschillen in de latere positie van de kinderen. Interessant genoeg bleek ongeveer twee derde van dat verband statistisch via de vroege taalvaardigheid te lopen. Volgens hun model was taal verantwoordelijk voor ongeveer 7,8 procent van de totale variantie in de sociaaleconomische positie als volwassene. Dat is minder dan wat we net noteerden, maar nog steeds behoorlijk veel.

Maar de onderzoekers bekeken ook mobility: wie doet het als volwassene beter of slechter dan je op basis van zijn of haar afkomst zou verwachten? Ook daar bleek vroege taalvaardigheid behoorlijk sterk mee samen te hangen. Nadat de onderzoekers rekening hielden met ouderlijke SES en non-verbaal IQ, verklaarde taal nog steeds zowat 16 procent van de verschillen in dergelijke sociale mobiliteit. Dat is meer dan dubbel zoveel als het aandeel dat ze vonden van het eenvoudigweg doorgeven van de sociale positie van ouders aan kinderen.

Of, met andere woorden, taalvaardigheid hangt niet alleen samen met het reproduceren van sociale verschillen. Het hangt nog sterker samen met de mate waarin mensen later boven of onder de positie uitkomen die je op basis van hun gezin van herkomst zou verwachten.

Er zit nog een ander opvallend resultaat in deze studie. Zoals ik al schreef, hadden de onderzoekers namelijk ook de schoolprestaties rond het tiende leerjaar. Zoals je zou verwachten, hingen ook deze samen met de latere sociaaleconomische positie. In een eenvoudig model leek ongeveer 35 procent van de intergenerationele samenhang in SES statistisch via schoolprestaties te verlopen.

Maar… taalvaardigheid en schoolprestaties hangen onderling zeer sterk samen in dit onderzoek: r = .73 (waarbij 1 volledige overeenkomst betekent). Wanneer beide tegelijk in het model werden opgenomen, bleef van de unieke bijdrage van schoolprestaties weinig betrouwbaar over. Taal bleef wel een duidelijke voorspeller. Let wel, dit wil niet zeggen dat schoolprestaties er blijkbaar niet toe doen.

Ten eerste is de steekproef daarvoor simpelweg te klein. Het is een onmogelijk lastige dataset om te verzamelen. Het zijn heel veel datapunten, maar nog steeds slechts van 114 personen. De auteurs benadrukken zelf dat ze op basis van deze gegevens niet betrouwbaar kunnen vaststellen hoeveel schoolprestaties nog extra bijdragen bovenop taalvaardigheid.

Ten tweede zit er mogelijk meer meetruis op beide zaken. Terwijl men taalvaardigheid rechtstreeks mat en op meerdere momenten, kwam de maat voor schoolprestaties uit een latere meetronde. Hierbij combineerden ze onder meer leesproeven en beoordelingen door leraren. Meer meetfouten bij die tweede variabele kunnen de unieke bijdrage vanzelf kleiner doen lijken. Ook dat beschrijven de onderzoekers natuurlijk zelf.

Het onderzoek geeft wel een (extra) onderbouwing waarom taal een kernvak of een kernvaardigheid genoemd wordt: taal is niet zomaar één schoolse vaardigheid naast alle andere vaardigheden. Taal is ook het gereedschap waarmee we veel van dat andere leren. We luisteren naar uitleg, begrijpen teksten, formuleren gedachten, stellen vragen, onderhandelen, leggen iets uit aan anderen en proberen later op het werk opnieuw nieuwe dingen te leren. Dus het is niet onlogisch dat taal met zoveel samenhangt!

Maar als je dacht dat ik met de beperkingen rond schoolprestaties alle nuances al had vermeld, nee. Wat nu komt is bijna een traditie: correlatie, geen causale relatie. Dit onderzoek toont dus niet dat betere taalvaardigheid sociale mobiliteit veroorzaakt.

Het is een observationele studie. Het sterke is dat de tijdsvolgorde een enorme meerwaarde betekent. De taalvaardigheid werd gemeten toen de deelnemers nog zeer jonge kinderen waren. De sociaaleconomische uitkomst werd ongeveer dertig jaar later gemeten. Maar daarmee zijn alle mogelijke derde variabelen nog niet verdwenen. Ook de auteurs zijn daar duidelijk over: om echt causale conclusies te trekken, zou experimenteel of minstens quasi-experimenteel onderzoek nodig zijn, maar hier kun je direct ethische en financiële bedenkingen bij maken. Soms moet je op dat vlak gewoon roeien met de riemen die je hebt.

Maar er zijn nog andere redenen om voorzichtig te blijven. Zoals ik al schreef bleven uiteindelijk slechts 19 procent over van het oorspronkelijke longitudinale cohort. En in die groep zat duidelijk een vertekening. De mensen die bleven deelnemen waren gemiddeld iets bevoordeeld ten opzichte van degenen die uitvielen. De onderzoekers probeerden hiervoor te corrigeren, maar dertig jaar uitval kun je statistisch nooit helemaal wegtoveren.

Verder waren zowat alle deelnemers wit/blank, woonden ze in het Amerikaanse Midwesten en groeiden ze vooral eentalig Engelstalig op. Dat laatste is geen onbelangrijk detail. Dit gaat namelijk misschien niet alleen over ‘taalvaardigheid’ in abstracte zin, maar ook over hoe goed de taalvaardigheden van een kind aansluiten bij de taal op school, op het werk en bij de vraag van de bredere samenleving. De auteurs wijzen daar zelf expliciet op. Bij meertalige kinderen en in andere onderwijs- en arbeidsmarktsystemen kan het verhaal dus anders liggen.

Ik hoop dat ik de studie nu niet kapot heb genuanceerd in je ogen. Besef dat ze wel degelijk laat zien hoe sterk verschillen in taalvaardigheid op zeer jonge leeftijd samen kunnen hangen met levenslopen die pas tientallen jaren later zichtbaar worden. En vooral dat taal in deze studie niet alleen samenhangt met het doorgeven van sociale verschillen, maar nog sterker met de mogelijkheid om af te wijken van wat je op basis van je afkomst zou verwachten.

Een gedachte over “Taalvaardigheid als (jong) kind voorspelt sociale mobiliteit dertig jaar later

  1. Dit resultaat betekent m.i. ook dat kleine effectgroottes van vroege interventies op het vlak van taalvaardigheif op de lange termijn cumulatief tot grote verschillen kunnen leiden.

Geef een reactie