Het is een voorbeeld dat ik soms gebruik in mijn lezingen: stel, je geeft perfecte feedback. Zal je student dan geleerd hebben? Dylan Wiliam beschreef acht mogelijke reacties op feedback, maar slechts twee daarvan leiden tot meer leren. De eenvoudigste situatie waarin dat niet gebeurt: de leerling of student negeert de feedback. Maar zelfs als die dat niet doet, moet die de feedback nog begrijpen, beoordelen en er vervolgens iets mee doen. Dit alles klinkt voorlopig nogal vanzelfsprekend, maar precies die laatste stap, wat mensen daadwerkelijk met ontvangen feedback doen, is opvallend weinig onderzocht. En dat geldt zeker voor peerfeedback.
We weten ondertussen behoorlijk veel over het geven van feedback door medeleerlingen of medestudenten, maar veel onderzoek maakt bij het gebruik ervan een vrij eenvoudige tweedeling: feedback wordt verwerkt of niet verwerkt. Een nieuwe studie van Xingshi Gao en collega’s, gepubliceerd in Contemporary Educational Psychology, probeert daar wat meer nuance in te brengen. De onderzoekers onderscheiden vier mogelijke reacties:
- feedback simpelweg overnemen (accept),
- erop voortbouwen (elaborate),
- het gesignaleerde probleem op een andere manier oplossen (modify),
- er niets mee doen (no uptake).
Wat bepaalt nu zoal welke reactie een medestudent geeft?
Wat deden de studenten met de feedback?
Aan het onderzoek namen (slechts…) 74 masterstudenten voedingswetenschappen aan een Nederlandse universiteit deel. Ze schreven een argumentatief essay van 600 tot 800 woorden en gaven vervolgens feedback op de teksten van twee medestudenten. Daarna kregen ze de kans om hun eigen essay te herwerken. De onderzoekers konden zo de ontvangen feedback naast de oorspronkelijke en de herziene tekst leggen.
In totaal analyseerden de onderzoekers uiteindelijk 476 bruikbare feedbackcommentaren die betrekking hadden op inhoudelijke zaken, zoals de structuur van een essay of de kwaliteit van een argument. Feedback over bijvoorbeeld grammatica en woordkeuze werd niet meegenomen in verdere analyses.
Ontnuchterend: met 40 procent van de ontvangen feedback deden studenten helemaal niets. Slechts 8 procent werd gewoon overgenomen. Bij 10 procent herkenden studenten het probleem, maar kozen ze een andere oplossing dan die van de feedbackgever. De grootste categorie was echter elaboration, goed voor 42 procent. Studenten namen de feedback niet zomaar over, maar gingen er zelf mee verder aan de slag. Ze voegden bijvoorbeeld extra argumenten, voorbeelden of bewijs toe.
Maar welke feedback wordt dan gebruikt?
De onderzoekers codeerden ook de kenmerken van de feedback zelf. Daarbij maakten ze onder meer onderscheid tussen cognitieve kenmerken, zoals het identificeren van een probleem, uitleggen waarom iets een probleem is of een oplossing voorstellen, en affectieve kenmerken, zoals kritiek verzachten met complimenten.
De meeste feedback was behoorlijk inhoudelijk. In 81 procent werd het probleem geïdentificeerd, 60 procent bevatte een verklaring, 39 procent een algemene suggestie en 36 procent een concrete oplossing. Opvallend genoeg maar ook niet onlogisch, denk ik, vonden de onderzoekers geen enkel voorbeeld van wat zij als metacognitieve feedback codeerden. Vervolgens onderzochten ze welke kenmerken samenhingen met wat studenten met de feedback deden.
Daarbij springen twee bevindingen eruit. Wanneer feedback een concrete oplossing bevatte, was de kans dat een student die oplossing eenvoudigweg overnam ongeveer 3 keer zo groot. Wanneer de feedback duidelijk identificeerde wat het probleem was, was de kans dat studenten helemaal niets met de feedback deden ongeveer gehalveerd.
Wat ze níét vonden? Uitleggen waarom iets een probleem was, voorspelde niet significant wat studenten vervolgens met de feedback deden. Hetzelfde gold voor de affectieve kenmerken van feedback. En geen van de onderzochte kenmerken voorspelde significant of studenten de feedback zouden uitwerken of zelf een andere oplossing zouden bedenken.
Niets doen kan ook iets betekenen
Ik vind die resultaten niet noodzakelijk negatief, integendeel. Zelfs niet de 40% feedback die genegeerd wordt. Dit betekent niet noodzakelijk een slechte keuze? We weten helemaal niet of dat werkelijk is wat er gebeurt.
Stel dat een medestudent je vertelt dat je een argument moet schrappen, jij bekijkt dat argument opnieuw en besluit vervolgens dat je medestudent ongelijk heeft. Je hebt volgens de indeling van deze studie niets met de feedback gedaan. Maar cognitief kan er ondertussen behoorlijk wat zijn gebeurd.
De onderzoekers wijzen hier zelf expliciet op. No uptake kan soms het resultaat zijn van een actieve beoordeling van de ontvangen feedback. Ze hebben spijtig genoeg niet kunnen onderzoeken waarom studenten feedback wel of niet verwerkten. We weten dus niet welk deel van die 40 procent voortkomt uit onbegrip, gebrek aan motivatie of vertrouwen in de feedbackgever, en welk deel uit een beredeneerde beslissing om de feedback naast zich neer te leggen.
Beperkingen
Het is een mooie studie, maar ook een relatief kleine en behoorlijk specifieke qua doelgroep. Het gaat om 74 masterstudenten uit één opleiding aan één Nederlandse universiteit, van wie bovendien 90 procent vrouw was. Ze kregen één ronde peerfeedback op één specifieke taak. We moeten dus voorzichtig zijn om dit zomaar te vertalen naar bijvoorbeeld twaalfjarigen die elkaar feedback geven op een wiskundetaak. Het is trouwens ook weer correlationeel onderzoek. Toch geeft de studie een mooie aanvulling op hoe we over feedback kunnen denken. De vraag is niet alleen of leerlingen of studenten feedback krijgen. Zelfs de vraag of ze de feedback gebruiken is misschien nog te eenvoudig.