Waarom slagen sommige jongeren erin om het goed te doen op school, ondanks een moeilijke thuissituatie, armoede, migratie of andere vormen van kwetsbaarheid? De laatste jaren komt je dan al snel uit op het begrip weerbaarheid of resilience. Het klopt dat sommige jongeren beter in staat lijken te zijn om met tegenslagen om te gaan. Ze zetten door, blijven gemotiveerd en vinden ondanks alles hun weg.
Maar wacht. Dit kan behoorlijk gevaarlijk worden als je dit te hard doortrekt. Stel dat we weerbaarheid vooral als een eigenschap van het individu bekijken, dan kan het al snel iets worden dat een jongere zelf moet hebben of ontwikkelen. We leggen dan de hele verantwoordelijkheid bij een kind dat het al moeilijk heeft! Een nieuwe studie van Sarah Gardezi en collega’s in Review of Education laat zien waarom dat net een te eenvoudige voorstelling van zaken is.
In dit kwalitatieve onderzoek (dus geen effecten of causale relaties) spraken de onderzoekers met acht jongvolwassenen in Ierland die tijdens hun jeugd behoorlijk wat moeilijkheden hadden, maar hun schoolloopbaan toch succesvol hadden doorlopen. Alle acht kwamen uit gezinnen met een lage sociaaleconomische status en een laag opleidingsniveau van de ouders. Bij sommigen van de acht kwamen daar nog andere moeilijkheden bovenop, zoals migratie en een taalbarrière, opgroeien in een eenoudergezin, het verlies van een ouder of behoren tot de Traveller community. De jongeren waren op het moment van het onderzoek tussen 22 en 28 jaar en hadden ondertussen verder gestudeerd of waren professioneel aan de slag gegaan. Naast de acht jongeren interviewden de onderzoekers telkens ook een volwassene die volgens de jongeren belangrijk was geweest in hun onderwijsloopbaan.
Dit geeft mooie verhalen, maar maakt de studie ook extra interessant. De onderzoekers wilden namelijk niet in de eerste plaats weten waarom jongeren uit kwetsbare milieus uitvallen. Ze draaiden de vraag om: wat hielp deze jongeren om het ondanks alles wél te redden?
Niet alleen doorzetten
Uit de interviews kwamen vier grote groepen factoren naar voren. Er waren ten eerste natuurlijk kenmerken van de jongeren zelf. Ze spraken over motivatie, doorzettingsvermogen, duidelijke doelen en een duidelijk gevoel van richting. Daarnaast waren er de verwachtingen en steun van ouders, de emotionele en academische steun van leraren en, ten slotte, de rol van vrienden en leeftijdsgenoten. Ook speelden zaken als buitenschoolse activiteiten, de buurt en financiële ondersteuning soms ook een rol. …
Volgens de onderzoekers kwamen twee elementen in elk verhaal terug.
Het eerste waren de verwachtingen van de ouders. Opvallend genoeg waren die ouders zelf meestal niet hoogopgeleid. Ze konden hun kinderen dus niet noodzakelijk helpen met de leerstof of wegwijs maken in het hoger onderwijs. Maar ze maakten hun kinderen wel heel duidelijk dat onderwijs belangrijk was. Ze moedigden hun kroost aan, toonden trots wanneer het goed ging en lieten merken dat ze geloofden dat hun zoon of dochter iets kon bereiken. Bij bijna alle jongeren kwam een variant van deze boodschap terug: education comes first.
Het tweede element was de relatie met leraren. En daarbij ging het om meer dan een leraar die gewoon vriendelijk was. De jongeren beschreven leraren die hen aanmoedigden, extra ondersteuning gaven, goede feedback gaven of op belangrijke momenten met hen in gesprek gingen. Soms waren het heel kleine dingen, zoals even praten in de gang. We kennen al langer het belang van dergelijke informele momenten, die ook hier dus terugkwamen. Het is tekenend dat de geïnterviewde leraren deze leerlingen zeven tot vijftien jaar later nog opvallend goed konden beschrijven. Ze herinnerden zich niet alleen hun prestaties, maar ook de moeilijkheden waarmee ze destijds worstelden.
Weerbaarheid zit ook tussen mensen
De onderzoekers vertrekken expliciet van het idee dat weerbaarheid niet simpelweg een eigenschap is die in een persoon aanwezig is. Nee, het ontstaat in de interactie tussen mensen en hun omgeving. Een jongere kan gemotiveerd en volhardend zijn, maar deze kenmerken worden ook gevoed door ouders die vertrouwen uitspreken, leraren die blijven ondersteunen, vrienden die helpen en een schoolomgeving die hoge verwachtingen heeft. De auteurs noemen weerbaarheid daarom uiteindelijk zelfs fundamenteel relationeel.
De boodschap wordt dan niet: alleen dat kwetsbare jongeren weerbaarder moeten worden. Ze komt met een extra vraag, namelijk wat doen wij waardoor jongeren weerbaar kunnen zijn?
En dat blijken vaak hele concrete zaken. Een van de jongeren kwam bijvoorbeeld als tienjarige naar Ierland zonder Engels te spreken. Sport hielp hem aanvankelijk om aansluiting te vinden en woorden op te pikken. Andere jongeren kregen extra taalondersteuning, persoonlijke feedback of toegang tot materiaal dat thuis niet beschikbaar was. Voor enkele deelnemers bleek financiële ondersteuning vervolgens noodzakelijk om überhaupt naar het hoger onderwijs te kunnen gaan.
Maar er is een belangrijke beperking
We zijn aanbeland aan het’ traditionele ‘maar’ deel van mijn blogposts. En net als elke prima studie, heeft deze ook zijn beperkingen en de belangrijkste noemen we de survivor bias. Dit zijn maar acht jongeren en, nog belangrijker, de onderzoekers hebben hen geselecteerd omdat ze, ondanks hun kwetsbare achtergrond, succesvol waren. Ze hebben hun situatie letterlijk overwonnen. We weten dus niet of jongeren die uiteindelijk uitvielen misschien óók ouders met hoge verwachtingen of betrokken leraren hadden.
Daar komt bij dat de deelnemers jaren later terugkijken op hun schooltijd. Mensen maken achteraf een verhaal van hun leven, en het is moeilijk om daaruit af te leiden welke factoren hun latere succes werkelijk hebben veroorzaakt.
Er zit nog een interessante beperking in de studie. Drie van de acht jongeren noemden hun ouders als de belangrijkste personen voor hun succes, maar die ouders konden niet worden geïnterviewd. Daarom spraken de onderzoekers in die gevallen met leraren. De auteurs erkennen zelf dat daardoor het belang van leraren in de resultaten mogelijk wat groter lijkt dan het werkelijk was.