Komende dinsdag ligt ons nieuwe mytheboek in de rekken, Onderwijs voorbij de oneliners. Het boek is een update van Jongens zijn Slimmer dan Meisjes dat ondertussen al een hele tijd meegaat. De periode tussen het afwerken van het manuscript en de eigenlijke release is altijd spannend om een heel specifieke reden. Wat als er nieuw onderzoek verschijnt dat we niet hebben kunnen opnemen, maar dat een nuance toevoegt die we nog niet hebben? Dit leek even het geval met het onderzoek naar multitasking. Maar hier konden we nog wel ingrijpen en hebben we besloten dat het onderzoek niet genoeg toevoegde om het op te nemen. Deze week verscheen een nieuwe studie naar zowat een oermythe in onderwijs, namelijk leerstijlen. En die studie bevestigt vooral wat in ons boek staat, oef!
De studie van Marietta Papadatou-Pastou en collega’s is interessant omdat ze de leerstijlenhypothese vrij direct hebben getest bij 194 leerlingen van 10 tot 12 jaar, op een manier in lijn met het werk van Pashler, zowat dé bron rond de leerstijlmythe. De hypothese stelt niet simpelweg dat mensen voorkeuren hebben voor bijvoorbeeld kijken of luisteren. Dat kan best en is vaak zo. De cruciale claim is dat leerlingen ook beter zouden leren als je de manier van lesgeven op hun voorkeuren afstemt. Een zogenaamde visuele leerling zou dus meer moeten leren van visueel aangeboden informatie, terwijl een auditieve leerling beter af zou zijn met auditieve informatie. Juist, in hte onderzoek gebruiken ze deze leerstijlindeling en niet een van de andere meer dan 70 bekende indelingen.
De onderzoekers bepaalden de vermeende leerstijl op twee manieren. Leerlingen gaven enerzijds zelf aan hoe ze dachten het het beste te leren. Anderzijds vulden ze ook de Barsch Learning Style Inventory in. Vervolgens kregen ze leerstof over onder meer weersvoorspellingen, wolken en klimaatverandering aangeboden op drie manieren: visueel, alleen via audio of audiovisueel. Na elke presentatie volgde een korte kennistest. Het sterke aan hoe men dit onderzoek heeft aangepakt, is dat dezelfde leerlingen verschillende vormen van presentatie kregen. Zo waren ze dus in zekere zin hun eigen controlegroep.
En de resultaten? Het maakte voor de prestaties niet uit of de manier waarop de informatie werd aangeboden overeenkwam met de vermeende leerstijl van de leerling. Nog belangrijker: de onderzoekers vonden ook niet het patroon dat je volgens de leerstijlenhypothese eigenlijk zou moeten zien, waarbij visuele leerlingen relatief beter presteren bij visuele instructie en auditieve leerlingen relatief beter bij auditieve instructie. Die interactie was zelfs zo goed als afwezig.
Er was wél iets dat verschil maakte: de audiovisuele conditie deed het gemiddeld beter dan zowel de puur visuele als de puur auditieve conditie, in lijn met wat we weten over dual coding en multimodaal leren. En dat voordeel gold ongeacht de vermeende leerstijl. Bovendien kwamen wat leerlingen zelf dachten dat hun leerstijl was en wat de vragenlijst aangaf opvallend slecht overeen.
Is hiermee het allerlaatste woord over leerstijlen gezegd? Spijtig genoeg niet, zoveel is duidelijk na jaren met deze mythe bezig te zijn geweest. En dit onderzoek kan ook bepaalde zaken niet uitsluiten. Zo keek men bijvoorbeeld naar onmiddellijke herkenning van pas aangeboden informatie, niet naar leren op langere termijn of transfer. De onderzoekers wijzen zelf ook op de zwakke betrouwbaarheid van de gebruikte leerstijlenvragenlijst, een ander bekend probleem met leerstijlen.
Maar het is voor mij wel duidelijk. Voorlopig hoeven we dus geen nieuwe editie te maken van het boek dat dinsdag verschijnt.