Maandag kwam Tracey Burns langs bij Leerpunt en een groot deel van haar professionele leven stond tot nu toe in teken van het bekijken van trends die onderwijs beïnvloeden. Het was een sterke bijdrage die het idee zou kunnen voeden dat we leven in tijden van verandering. Maar… dat is natuurlijk een huizenhoog cliché, en ze bracht het heel genuanceerd. Er zijn natuurlijk zaken zoals artificiële intelligentie, sociale media, geopolitieke verschuivingen, demografische veranderingen, klimaatverandering. Dit lijstje is lang en al deze topics komen ook op deze blog regelmatig langs. En dan is het niet onlogisch om te denken dat als de wereld verandert, ook onze instituties mee moeten veranderen. Daarom is het vaak bon ton om te stellen dat scholen moeten veranderen omdat de samenleving verandert. Universiteiten moeten zich aanpassen aan AI.
De redenen zijn legio. De arbeidsmarkt verandert, dus moeten opleidingen mee veranderen, ook al bleek uit de harde data die Tracey citeerde dat die verandering er wel degelijk is, maar minder dan de vaak geciteerde 65% (in haar slides 22%). In feite lijkt het dan onmogelijk om een instituut te noemen dat niet door die alles geraakt wordt, naast scholen, ook gerecht, leger, media,… Maar ik wil vandaag een andere klok laten horen, deels geïnspireerd door een oudere blogpost.
Er zit natuurlijk een kern van waarheid in. Stel dat instituties nooit veranderen, dan zullen ze uiteindelijk wellicht vooral musea van zichzelf worden. Maar sinds die blogpost van vorig jaar vraag ik me steeds vaker af of we niet iets belangrijks over het hoofd zien: wat als een van de functies van instituten net is dat ze níét voortdurend veranderen?
Waarom hebben we eigenlijk instituties?
Die vraag klinkt misschien vreemder in de oren vandaag dan ze is of zou moeten zijn. We zijn namelijk ondertussen zo gewoon geraakt om instituties te beoordelen op hun vermogen om te vernieuwen, te transformeren en zich aan te passen, dat we soms vergeten waarom we als samenleving instituten hebben.
Een klassiek antwoord op deze vraag komt van econoom Douglass North, namelijk: instituties structureren menselijke interacties. Hierdoor maken ze het gedrag van de medemens tot op zekere hoogte voorspelbaar en verminderen ze zo onzekerheid.
Dankzij instituten hoef je niet elke morgen opnieuw te onderhandelen over wat een school is. Je hoeft niet bij ieder conflict opnieuw uit te vinden hoe rechtspraak werkt. En terwijl al jaren mensen roepen dat diploma’s bijzaak zullen worden, betekent een diploma vandaag nog steeds min of meer hetzelfde als gisteren. Geld dat je vandaag krijgt, kun je morgen nog gebruiken. Een universiteit heeft regels over wat telt als kennis en hoe kennis wordt beoordeeld. We hebben collectief verwachtingen over wat een arts, rechter, leraar of journalist hoort te doen.
Terwijl je de vorige paragraaf las, zul je wellicht direct gedacht hebben dat die verwachtingen nooit volledig stabiel zijn. Het klopt, ze evolueren. Maar het is belangrijk te beseffen dat net omdat ze niet iedere dag veranderen, we er op kunnen bouwen. Instituten zijn in feite relatief stabiele referentiepunten, en geef toe, dat is iets wat in een snel veranderende wereld misschien steeds schaarser wordt.
En als nu juist dát onder druk staat?
De laatste jaren wordt er vaak en veel gesproken over het dalende vertrouwen in instituties. Mensen zouden minder vertrouwen hebben in de politiek, de media, de wetenschap, de overheid of het onderwijs. Onderwijs was vaak een van de laatste bakens van vertrouwen, maar onder andere door de slechtere prestaties staat dit vertrouwen nu wellicht ook onder druk. Logisch dat er dan naar manieren wordt gezocht om dat vertrouwen te herstellen.
Je hebt wellicht al veel van de mogelijke oplossingen gehoord. Denk dan aan pleidooien voor meer transparantie of betere communicatie. Oproepen voor meer participatie. Of een van mijn favorieten: de kloof dichten. Die laatste lezen we al decennia. Nu, het kunnen allemaal verstandige dingen zijn, maar misschien beginnen we dan te ver in de redenering.
Wat als vertrouwen niet het eerste probleem is? Wat als het verlies van institutionele stabiliteit eraan voorafgaat? Misschien zijn we instituten de afgelopen decennia steeds meer gaan beoordelen op hun vermogen om te veranderen. Pleidooien voor wendbare organisaties, scholen moeten innoveren. Overheden moeten transformeren. Universiteiten moeten inspelen op nieuwe behoeften. De woorden verschillen, maar de achterliggende boodschap is in feite steeds dezelfde: wie niet verandert, loopt achter. Stilstaan is achteruitgang.
Terug klinkt het wellicht superlogisch. De wereld buiten de instituten verandert steeds sneller en vervolgens vragen we aan onze instituties om óók steeds sneller te veranderen. Maar wat als we daarmee net een van hun belangrijkste maatschappelijke functies verzwakken?
Niet alles hoeft tegelijk te veranderen
De Duitse socioloog Hartmut Rosa beschrijft hoe de moderne samenleving wordt gekenmerkt door versnelling. Technologie versnelt, maatschappelijke veranderingen volgen elkaar sneller op en ook het tempo van ons dagelijkse leven neemt toe. Die versnelling kan zichzelf versterken. Omdat de wereld sneller verandert, moeten organisaties sneller reageren. Maar doordat organisaties sneller reageren, ervaren mensen opnieuw steeds meer verandering.
Misschien hebben we daarom niet alleen instituten nodig die ons helpen om met verandering om te gaan. Misschien hebben we ook instituten nodig die ervoor zorgen dat niet alles tegelijk verandert.
Een school kan kinderen voorbereiden op een veranderende wereld, maar kan tegelijk een plaats zijn waar bepaalde verwachtingen verrassend constant blijven. School als vrije tijd, of beter, zoals Masschelein en Simons ooit schreven: vertraagde tijd.
Op school kom je op tijd. Een volwassene heeft en neemt een verantwoordelijkheid tegenover kinderen. Je leert er dingen die je zelf niet spontaan zou kiezen. Hierbij moet je soms moeite doen. Niet alles wat belangrijk is, is meteen nuttig. Je komt mensen tegen die anders zijn dan jij. Er bestaat kennis die er al was voordat jij geboren werd en je krijgt die mee. Dit zijn geen innovaties van gisteren of morgen, maar gaan aan al eeuwen mee. En dat geeft hen ook waarde.
De school hoeft niet op de wereld te lijken
Ik weet niets of weinig over gerecht of politiek, dus wil ik als schoenmaker bij mijn leest blijven. Hoe vaak heb ik niet goeroes horen pleiten voor onderwijsvernieuwing met het volgende argument: de wereld verandert, dus het onderwijs moet veranderen. Ik denk dat er in deze redenering een stap ontbreekt. Dat de wereld verandert, vertelt ons nog niet wat er in het onderwijs moet veranderen. En al helemaal niet dat het onderwijs in hetzelfde tempo of dezelfde richting moet veranderen.
Neem de huidige favoriete aanjager van onderwijs: AI. Dat leerlingen later zullen leven en werken in een wereld waarin AI alomtegenwoordig is, lijkt ondertussen moeilijk te ontkennen. Daaruit kan volgen dat scholen leerlingen moeten leren om verstandig met AI om te gaan. Maar er kan evengoed iets anders uit volgen. Denk even mee, net omdat buiten de school steeds meer denkwerk aan technologie kan worden uitbesteed, kan het vandaag belangrijker worden dat leerlingen op school bepaalde dingen zélf leren denken en doen.
Juist omdat informatie overal onmiddellijk beschikbaar is, kan kennis in het eigen hoofd belangrijker worden om die informatie te kunnen beoordelen. Omdat technologie steeds meer persoonlijke keuzes en voorkeuren voorspelt, kan een gemeenschappelijk curriculum belangrijker worden om het samenleven in stand te houden. En wat te denken over hoe in tijden dat veel communicatie digitaal verloopt, misschien de fysieke ontmoeting tussen leerlingen en leraren waardevoller wordt.
Wat ik wil zeggen is dat verandering buiten een instituut evengoed een reden kan zijn om bepaalde elementen niet te veranderen. Ik bedenk nu dat dit als een enorm conservatief pleidooi kan overkomen, dus…
Stabiliteit is geen stilstand
Een pleidooi voor stabiele instituten kan al gauw klinken als een pleidooi voor conservatisme. Alsof vroeger alles beter was, scholen weer hetzelfde moeten worden als in 1950 en universiteiten of overheden zich maar beter kunnen afsluiten van de samenleving. Dat bepleit ik absoluut niet, stabiliteit mag niet hetzelfde zijn als stilstand. En stabiliteit is uiteraard geen waarde op zich: ook onrechtvaardige instituties kunnen bijzonder stabiel zijn.
Sterker nog: ik vermoed dat een instituut soms net moet veranderen om stabiel te kunnen blijven. Dat klinkt misschien licht paradoxaal, maar binnen onderzoek naar instituties bestaat hiervoor een interessante term: institutional maintenance. We mogen er niet van uitgaan dat instituties vanzelf blijven bestaan. Mensen onderhouden ze voortdurend. Regels worden opnieuw toegepast, normen worden doorgegeven, nieuwe situaties worden geïnterpreteerd en praktijken worden soms aangepast.
Een traditie die letterlijk nooit verandert, kan verdwijnen omdat ze niet langer werkt. Tegelijk kan een instituut dat voortdurend verandert, verdwijnen omdat niemand nog weet waarvoor het staat. Juist, het is een constante evenwichtsoefening die ik best kan samenvatten als: wat moet veranderen opdat de kern kan blijven bestaan?
Deze vraag levert volgens mij in de praktijk andere en wellicht betere antwoorden op dan de vraag hoe we moeten meegaan met de verandering?
Misschien moeten we opnieuw leren onderhouden
Taal kan veel bepalen in ons denken. Innovatie klinkt positief. Transformatie klinkt ambitieus. Wendbaarheid klinkt verstandig. Disruptie klonk een tijdlang zelfs ronduit aantrekkelijk, al denk ik dat Zuckerberg al lang spijt heeft van zijn ‘move fast and break things’, ondanks de miljarden. Ik moet bekennen dat ‘onderhoud’ veel minder sexy klinkt. We hebben meer bewondering voor de uitvinder dan voor de onderhoudstechnicus.
Ik ben nog nooit gevraagd om deel te nemen aan een congres met als titel Maintaining Education 2035. Een bestuurder zal minder applaus krijgen wanneer hij aankondigt dat hij ervoor heeft gezorgd dat iets de komende tien jaar ongeveer hetzelfde kan blijven. Of wacht, ik denk net wel, maar die bestuurder zal het nooit zo zeggen.
Toch is onderhoud misschien een van de meest onderschatte maatschappelijke activiteiten. Bruggen moeten onderhouden worden, nietwaar, Nederland? Rechtsstelsels ook, nietwaar, Brussel. Wetenschappelijke normen ook, ook tijdens een AI-storm. Democratische procedures ook, daarom zelf blij met de Nobelprijs voor de vrede dit jaar. En dit alles geldt ook voor onderwijsinstellingen.
Onderhoud bestaat dan niet alleen uit regels bewaren, maar ook om professionele normen, gedeelde verhalen, rituelen, verwachtingen en soms zelfs gebouwen en symbolen. Ze maken duidelijk: dit is wat we hier doen, dit is waarom we het doen en dit is waarop je morgen nog mag rekenen. We zullen er nog steeds voor je zijn, je kan op ons vertrouwen en bouwen. Zonder dergelijk onderhoud verworden instituties langzaam tot organisaties.
Een organisatie probeert doelstellingen te bereiken. Een institutie doet meer, moet meer: ze vertegenwoordigt ook bepaalde normen en verwachtingen die verder gaan dan de mensen die er op dit moment werken. Een school is zo niet alleen een organisatie die leerresultaten produceert. Een universiteit is niet alleen een organisatie die diploma’s en publicaties produceert. Een rechtbank is niet alleen een organisatie die dossiers verwerkt. Ze dragen iets over van gisteren naar morgen. Het heeft lang geduurd, maar nu moet ik echt aan Hannah Arendt denken met haar pleidooi voor conserveren en progressie. Onderwijs heeft bij Arendt iets fundamenteel conservatiefs. Als volwassenen dragen we verantwoordelijkheid voor de wereld die we aan de volgende generatie doorgeven, opdat progressie mogelijk is doordat die nieuwe generatie zelf ook weer keuzes zal maken.
Misschien komt vertrouwen later
En daarmee kom ik terug bij vertrouwen. Het is misschien een gok, ik besef het, maar misschien proberen we soms het verkeerde te herstellen. Wanneer mensen minder vertrouwen hebben in een institutie, ligt het voor de hand om te vragen hoe het instituut opnieuw vertrouwen kan winnen. Maar vertrouwen kun je niet zomaar vragen. En je kunt het al helemaal niet communiceren totdat het er weer is.
Misschien ontstaat institutioneel vertrouwen gedeeltelijk doordat mensen gedurende langere tijd kunnen ervaren dat een instituut doet waarvoor het bestaat. Dat het dus in de mate van het mogelijke voorspelbaar handelt. Dat regels vandaag niet plots iets heel anders betekenen dan gisteren. Dat niet iedere nieuwe politieke, technologische of maatschappelijke golf onmiddellijk tot een nieuwe koers leidt (ik hoor nu opeens een luide zucht, of is dat inbeelding). Het ontstaat wellicht wanneer professionals binnen het instituut weten wat van hen wordt verwacht. Dat je zelfs wanneer je het oneens bent met een beslissing begrijpt vanuit welke principes ze werd genomen, van rechtbank tot een niet geslaagd cijfer.
Vertrouwen wordt op die manier minder een doel op zich en meer een mogelijk gevolg van betrouwbaarheid, continuïteit en competentie. Misschien hebben we dus niet in de eerste plaats een vertrouwensprobleem. Misschien gaat daaraan soms een stabiliteitsprobleem vooraf.
Bakens bewegen ook, maar niet met iedere golf
Pedagogen gebruiken graag metaforen. En misschien is het beeld van een baken enorm bruikbaar om dit essay af te sluiten. Een baken staat niet buiten de tijd. Het moet onderhouden worden. De lamp kan vervangen worden. De technologie verandert. Soms moet het zelfs worden verplaatst. Maar dit alles heeft enkel zin als baken, omdat het niet met iedere golf meedrijft.
Misschien moeten we opnieuw zo leren kijken naar onze instituten. Laten we ze niet bekijken als obstakels die voortdurend moeten worden aangepast aan een steeds sneller veranderende wereld, maar als structuren die juist een deel van hun waarde ontlenen aan continuïteit. Iets waar we op kunnen terugvallen, iets waar we op kunnen bouwen.
Dat betekent niet dat scholen, universiteiten, overheden, wetenschap, media of rechtspraak zich van verandering moeten afsluiten. Het betekent wel dat verandering niet automatisch het antwoord op verandering is. Soms moet je veranderen, zeker. Soms moet je je aanpassen, natuurlijk.
Maar soms is het belangrijkste wat een institutie kan doen: blijven bestaan.