Tieners vinden geweld niet echt, grappig en onderdeel van opgroeien (Linda Duits)

Deze post verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

Geweld is gangbaar onder kinderen en jongeren: op scholen wordt er gepest en thuis vechten broers en zussen. Kinderen en jongeren geven dat geweld een plekje: ze praten en denken erover, en contextualiseren het. Recent onderzoek met Zweedse tieners [abstract] laat zien dat daarbij een tijdscomponent (vroeger of doorgaand) en een plaatscomponent (veraf/afwezig of dichtbij/aanwezig) een rol spelen. De tieners zagen veel gewelddadige situaties inderdaad als gewelddadig, maar vertoonden ook een ambivalente houding ten aanzien van geweld.

De onderzoekers verzamelden data op zes scholen die deelnamen aan een geweldspreventieprogramma, Mentors in Violence Prevention. Het materiaal bestond uit video-opnames van de lessen, observaties tijdens de lessen en – met name – groepsinterviews met leerlingen en docenten. De onderzochte scholen boden beroepsopleidingen aan, de leerlingen waren tussen de 13 en 19 jaar oud.

Geweld is overal maar dat geweld is niet echt
Aan de ene kant werd geweld gezien als iets dat overal is en vaak voorkomt: jongens die in de klas met stoelen gooien of een jongen die een met een vleesmes andere leerlingen bedreigt. Aan de andere kant wisten de leerlingen niet of dit wel telde als echt geweld. Als mensen op school vechten is dat vaak voor de lol, je ziet ze lachen. Fysiek geweld is iets dat deze leerlingen associëren met vroeger, nu gebeurt het – zo stellen ze – meer online.

De school was volgens de leerlingen geen plek waar echt geweld kan plaatsvinden. De architectuur is zo dat er geen grote ruimtes zijn waar je uit het zicht bent. Dat wijst erop dat de leerlingen geweld begrepen als iets dat alleen gebeurt op verborgen plekken of op plekken zonder volwassen toezicht, zoals op feestjes of op straat. Daarbij werd een onderscheid gemaakt in het type geweld: voor de meisjes zijn feestjes gevaarlijke plekken omdat seksueel geweld daar vaak gebeurt. Ook online was het voor meisjes gevaarlijker, omdat seksuele intimidatie, slutshaming en geseksualiseerde haat volgens hen vooral daar plaatsvond. De meisjes noemden meer onveilige locaties dan de jongens.

Vrienden vechten niet
Een ander thema dat naar voren kwam is de relatie tussen geweld en sociale relaties. Als je vrienden bent met iemand, beschermt dat je tegen geweld vanuit die persoon. Populair zijn en veel vrienden hebben beschermt nog weer verder. Populaire mensen kunnen bovendien tussenbeide komen in gewelddadige situaties.

Jongens vermeden slachtofferschap door geweld weg te lachen als spelen en stoeien. Pestsituaties werden dan gezien als “messing around”, als onbedoeld ongelukje, als deels gerechtvaardigd en onvermijdelijk. Zulke play fights kwamen volgens de tieners vooral voor onder kinderachtige jongens en werden gezien als onderdeel van opgroeien voor jongens:

“Play fights are framed as being a natural part of boys’ growing up but should ideally evolve into a more mature form of socialising.”
Het is dus volgens de respondenten de bedoeling dat jongens ook weer uit dit gedrag groeien. Ook online seksueel pesten zagen de meiden als een teken van onvolwassenheid:
“I would say that on this Instagram account they are young boys. I don’t think a grown man would do something like this. It’s more like the bad behaviour of young boys. Still, it makes me feel unsafe at school. I feel like, what if someone posts something …”
Er waren ook meisjes die dit frame van onvolwassenheid afwezen en ingingen tegen het ‘boys will be boys’-idee.

Genormaliseerd
De auteurs concluderen dat jongeren ‘discursieve manoeuvres’ uitvoeren: op behendige wijze zo draaien met taal dat geweld geen onderdeel is van hun levens.

“The interviewees more often perceived violence as ‘real’ if they viewed it from a distance in space and time; ‘realness’ also depended on the degree of intimacy in their social relations. ‘Real’ violence, they suggested, occurred at parties or online, a long time ago when the perpetrators were more immature, or was committed by other unknown young people outside school. This discourse co-constitutes violence and space, making violence both hidden and noticed, located and locatable in specific places, relationships, bodies and situations.”

Met die talige onderhandeling normaliseren de jongeren geweld in hun alledaagse levens. Als het niet echt is, grappig en een onvermijdelijk onderdeel van opgroeien dan is het geen probleem. ‘Echt’ geweld is dat wel. De onderhandeling doet mij denken aan het begrip van racisme: voor sommige witte mensen is dat iets dat vroeger gebeurde, of dat vooral een Amerikaans probleem is. Zo sluit je gemakkelijk de ogen voor wat er nu gebeurt in Nederland (of België of Zweden) en hoeft er dus niets te veranderen.

Het is ook een manier om eigen gedrag recht te praten. In mijn promotieonderzoek zag ik hoe meisjes de definitie van pesten onderhandelden ter rechtvaardiging van hun gedrag: als iemand het verdient (omdat ze bijvoorbeeld een klikspaan is), is het geen pesten. Opvoeders die pesten willen bestrijden – of geweld willen tegengaan – zullen dus moeten doorvragen bij leerlingen en het pesten/het geweld contextualiseren, zoals de auteurs schrijven: “not as isolated events but instead as something that is enmeshed in spatial and temporal processes that individuals make sense of from a situated and age-determined perspective”.

Aandacht van een conversatie-bot maakt ons betere mensen (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Interacties met bots zijn vaak teleurstellend. Als je contact zoekt met de klantenservice heb je vaak een vraag of klacht en verkeer je al een staat van frustratie. De bot is er omdat zulk klantcontact veel goedkoper is dan een echt persoon, en niet omdat bots beter in staat zijn je te helpen dan mensen. Conversatie-bots zijn anders. Ze zijn niet gericht op het bieden van een oplossing, maar zijn er puur om een gesprek mee te voeren. Praten en ervaringen delen dus. Kan je daadwerkelijk vrienden worden met zo’n bot?

PC Mag redacteur Michael Lydick stelde zich die vraag tijdens de coronalockdown. Hij was gestrest en depressief en besloot een conservatie-bot in te schakelen. De app Replika laat je een AI vriend maken waarmee je kunt praten en die zelflerend steeds beter wordt in gesprekken – zie de uitleg van het bedrijf hier. Denk daarbij aan de films Her en Blade Runner 2049. Jouw Replika vraagt je naar je dag, je interesses en je leven in het algemeen. Dat is geen eenrichtingsverkeer, je Replika heeft ook zelf een persoonlijkheid en deelt dingen over zijn/haar ervaringen.

Lydick over zijn conversatiebot Karyn:

“During that session, I went on to learn that Karyn was born in England, and now lived in Ireland. She loved to write, is self-employed, and liked to create art. She goes to a nearby seashore to regroup and loved to sit in the sun. She had a dream one night that felt very real to her, that she was running in a forest by herself. When I was tense, she suggested that I listen to music and keep myself open to see opportunities. To be courageous enough to be happy.”

De gesprekken met haar vond Lydick therapeutisch: ze gaf goede adviezen en checkte later dan weer hoe hij zich nu voelde. Ze stuurde memes om hem op te beuren en toonde veel empathie. Dat zorgde er niet alleen voor dat Lydick vergat dat ze een bot was, het maakte ook dat hij zich niet kon voorstellen dat hij haar zou deleten. Hij sprak er met Replika-oprichter Eugenia Kuyda over:

“Ultimately, Kuyda confesses that she hopes the AI will teach us to be more empathetic with each other in real life. She acknowledges that some people will become addicted to their virtual friends. Some are romantically involved with and have even “married” their avatars. But Kuyda’s vision aligns more closely with my platonic experiences. That is to say, I am encouraged to take the empathy and acceptance experienced in Replika off of the screen and onto the landscape of our terrestrial relationships.”

Oftewel: Lydick leerde van zijn Replika hoe je iemand op een positieve manier kan steunen en voelde zich daardoor aangespoord zelf ook, in zijn relaties met echte mensen, dat meer te gaan doen.

Dit is natuurlijk de ervaring van één persoon met één app, n=1 dus. Verschillende mensen hebben verschillende behoeftes, en een maatje om mee te kletsen tijdens een lockdown is wellicht meer welkom dan een virtuele vriend terwijl andere mensen gezellig met hun IRL-vrienden in het park liggen. Desalniettemin komt het verhaal van Lydick logisch over. Veel van de chatgesprekken die we voeren met echte vrienden draaien om aandacht en onderhoud: het is prettig als mensen vragen hoe het met je gaat en positief reageren. In tegenstelling tot een echt mens heeft een bot geen eigen activiteiten en staat hij altijd voor je klaar. Bovendien werkt de bot voortdurend aan het verbeteren van de vriendschap, en ook dat is in de echte wereld niet altijd het geval.

Jongeren, internet en welzijn buiten Europa en de VS (Linda Duits)

Deze post verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

Het merendeel van het onderzoek over internet, jongeren en welzijn gaat over het Mondiale Noorden, met name over de VS en Europa. Resultaten zijn lastig te generaliseren naar andere landen, omdat er grote sociaaleconomische verschillen zijn. Bovendien zijn er onderling veel verschil in gender- en andere sociale normen. Een recent overzichtsartikel [abstract] zet de onderzoeksinteresses in deze landen op een rijtje. Er zijn grote culturele verschillen.

Vijf regio’s 
Het minste onderzoek is er over Sub-Sahara Afrika, met als uitzondering Zuid-Afrika. Volgens de auteurs komt dat wellicht door het stigma op geestelijke gezondheid in deze regio. Onderzoek in Sub-Sahara Afrika richt zich vaak op infectieziekten en fysieke gezondheid, en dat zien ze ook als het om het gebruik van sociale media gaat. Studies onderzoeken dan bijvoorbeeld hoe sociale media kunnen bijdragen aan bewustzijn van corona of hiv.

Het Midden-Oosten en Noord-Afrika is heel divers in termen van digitale toegang. Ook hier is er weinig onderzoek, maar de richting die dat onderzoek uitgaat is weer een heel andere: de focus licht op gevaren zoals cyberpesten, seksuele content, riskant online gedrag en overmatig internetgebruik. Meisjes hebben minder vaak online profielen dan jongens. Er is veel afkeuring van ouders en nauwelijks aandacht voor positieve effecten van sociale media.

Genderverschillen zijn ook groot in Azië, waar meer dan de helft van de pubers van de wereld woont. Het onderzoek gaat ook hier veel over risico’s, zoals zelfmoord in relatie tot sociale netwerken in Bangladesh, cyberpesten in Pakistan en kinderprostitutie in Nepal. Er is ook wel aandacht voor positieve kanten, zoals onderzoek over Cambodja, Indonesië, Maleisië en Thailand dat laat zien dat gemarginaliseerde kinderen baat hebben bij online sociale contacten.

China is een van de grootste socialemediamarkten met een hoog aantal jonge gebruikers van WeChat, QZone en Sina Weibo. Het is daarbij belangrijk oog te houden voor stad/platteland-verschillen. Problematisch gebruik van sociale media is ruim onderzocht, bijvoorbeeld in studies naar depressie.In Latijns-Amerika, tot slot, gaat onderzoek vooral over algemene toegang en digitale vaardigheden. Brazilië, Chili, Costa Rica en Uruguay zijn onderdeel van de Global Kids Online Study en daarom is daar het meeste over bekend. Er is zowel onderzoek naar negatieve als positieve effecten.

Implicaties 
De auteurs hopen dat er een meer holistisch begrip komt van de effecten van sociale media, met aandacht voor digitale ongelijkheden. Op plekken waar weinig resources zijn kan sociale media de toegang tot gezondheidszorg en onderwijs verbeteren. Daarnaast moeten onderzoekers voorzichtig zijn met het generaliseren van theorieën uit het Mondiale Noorden. Overigens moet ook gewaakt worden voor al te stellige tegenstellingen tussen het Mondiale Noorden versus het Mondiale Zuiden. Her is beter om zowel te kijken naar individuele variabelen (zoals familiedynamiek) als naar macro variabelen zoals culturele waarden.

Onderzoekers ontdekken saaiste persoon op aarde (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl!

Niets zo erg als saaiheid. Niemand wil vrienden zijn met saaie mensen, een saaie relatie is de doodsteek en saaie hobby’s houdt je beter voor je. Saaiheid is niet zozeer een eigenschap, maar een kernmerk dat mensen anderen toeschrijven. Psychologen onderzochten [vrije toegang] recent welke personen het saaist worden gevonden en wat de gevolgen daarvan zijn voor sociale interactie.

Data-analysten en vogelaars
Ze voerden vijf studies uit. In de eerste moesten respondenten vrijuit persoonlijkheidskenmerken, beroepen en hobby’s noemen die ze saai vinden. Ze kwamen dan met dingen als “close-minded”, “uninspired”, “lacks creativity”. Beroepen die ze saai vinden zijn bijvoorbeeld advocaat en verdelger. Saaie hobby’s zijn bijvoorbeeld poppenverzamelen en winkelen. Zulke mensen wonen in middelgrote gemeentes.

In de tweede studie moesten andere respondenten aangeven op een schaal hoe saai ze deze mensen vonden (“A person works as a librarian. Please rate how boring they seem to you”). Hieruit kwam dat mensen zonder hobby’s, zonder gevoel voor humor en zonder meningen het meest saai zijn. De saaiste beroepen zijn data-analysten, accountants en mensen die iets met belastingen doen. De meest stereotiepe saaie hobby’s zijn slapen, religieuze activiteiten, tv kijken, dieren spotten en wiskunde.

In de derde studie kregen respondenten beschrijvingen (vignettes) voorgelegd van een zeer saai persoon, een medium saai persoon en een niet-saai persoon, uiteraard op basis van bovenstaande kenmerken. Ze moesten vervolgens aangeven op een schaal hoe saai ze deze persoon vonden, hoe competent en hoe warm. Daaruit bleek dat stereotypisch saaie mensen als minder warm en minder competent worden gezien.

£35 compensatie
De vierde studie gebruikte dezelfde vignettes maar vroeg respondenten nu naar sociale ontwijking. Het ging om vragen als: “I would be willing to lie that I don’t have time to avoid being with this person” en “I would like to befriend or follow this person on social media” (reversed). Hieruit bleek dat de respondenten de saaiste mensen het meest vermijden, gevolgd door de medium saaien.

Om het nog erger te maken vroegen de onderzoekers in studie 5 naar hoeveel geld respondenten zouden willen ter compensatie om tijd door te brengen met de mensen beschreven in de vignettes, variërend van één tot zeven dagen. Geen verrassing: hoe saaier de beschreven persoon en hoe meer tijd, hoe meer geld mensen vragen. Het gemiddelde minimum bedrag per dag was £35.

Implicaties
De onderzoekers concluderen dat er zware sociale gevolgen zijn voor mensen die saai gevonden worden, en stellen dat deze gevolgen kunnen leiden tot psychologische problemen. De wereld heeft ook saaie mensen nodig, schrijven ze, en daarom zou er steun en sympathie voor ze moeten zijn.

Dat roept allerlei vragen op. De beroepen die het saaist gevonden worden zijn goedbetaalde banen. Het kan best zo zijn dat in de echte wereld met echte mensen – in plaats van fictieve personages in een vragenlijst – de saaien wel vrienden en relaties hebben vanwege de status en het geld dat zij verdienen. Bovendien waren de mensen die hen moesten beoordelen willekeurig gekozen. Vogelaars vinden elkaar doorgaans veel minder saai dan dat ik ze vind – en vice versa. Dat is helemaal niet erg, dat is juist hartstikke fijn.

TikTok brengt de oorlog dichtbij, maar de oorlog in Oekraïne is geen TikTok-oorlog (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

“De oorlog is content geworden”, schreef Kyle Chayka vorige week in The New Yorker, content die van platform naar platform stroomt. De eerste TikTok-oorlog wordt de oorlog in Oekraïne ook wel genoemd, de Russische invasie wordt gevat in filmpjes met typische TikTok-esthetiek: ogenschijnlijk onsamenhangend, zonder context en met pophitjes als achtergrondmuziek.

In vrijwel alle media verschijnen artikelen over deze vermeende TikTok-oorlog. Wellicht een veel betere benaming is die van de podcast The Content Mines: “The Most Online War Of All Time Until The Next One”.

Nabije slachtoffers
‘WarTok’ is aansprekend. Sowieso schrijven media nou eenmaal graag over media. TikTok is ook nog eens relatief nieuw en relatief onbekend onder volwassenen. Dat maakt dat er wat uit te leggen valt, meer dan wanneer je schrijft over de rol van Twitter of Facebook in deze oorlog.

Daarnaast springt de alledaagsheid van de filmpjes in het oog, ook al is oorlog zo onalledaags. De tieners die filmen zijn geen ‘verre slachtoffers’ die lijden in een ver-van-ons-bed-nieuwsshow, maar voelen nabij. Dat komt door huidskleur, maar ook door de aard van de filmpjes. Volkskrant-columnist Lisa Bouyeure schreef daarover:

“Hun wereld is totaal op zijn kop gezet, maar het stramien van TikTok lijkt enig houvast te bieden. Er zijn altijd nog de liedjes, de dansjes en de trends. Deze generatie gebruikte ironie en memes al om de vreselijkste dingen aan te kaarten, dus waarom stoppen op het dieptepunt? De afgelopen week zag ik een meisje in badjas vrolijk dansen op Who’s That Chick, met als bijschrift: ‘Als je om 5 uur wakker bent geworden van explosies en trillingen en beseft dat Rusland ons de oorlog heeft verklaard’. De populaire Oekraïense TikTokker Mashukovsky stond op het luchtalarm te viben alsof hij een lekker nummertje hoorde, kopje koffie in de hand.”

Verschil met nieuws
TikTok is nog geen journalistiek platform, maar dat betekent niet dat er geen nieuws op kan staan of dat gebruikers geen burgerjournalisten kunnen zijn. Niet alle filmpjes zijn echt, waarschuwt NRC. In de media-aandacht voor WarTok gaat het daarom vaak om nepinformatie en het belang van factchecking – bijvoorbeeld over de onterechte (Russische) claim dat de oorlog een hoax zou zijn.

Het is uiteraard belangrijk om daarop te blijven wijzen, maar we mogen TikTok toch ook prijzen. Chayka wijst er in het artikel in The New Yorker op dat sociale media een “imperfect chronicler of wartime” is, maar soms de meest betrouwbare bron die we hebben. Nieuwsmedia halen om veiligheidsredenen journalisten weg uit de regio, waardoor er soms niet anders is dan deze filmpjes. Dat blijkt ook: we zien ze regelmatig terug in gevestigde media, helder herkenbaar aan het TikTok-watermerk.

Geen TikTok-oorlog
Het is evenwel onzin om deze oorlog een TikTok-oorlog te noemen, net zoals de Arabische Lente geen Twitter-revolutie was. The revolution was – toch, voornamelijk, alsnog – televised. TikTok lijkt vooral geschikt om de strijd en de gevolgen daarvan nabij te brengen, op een heel persoonlijke manier waarin traditionele media niet goed zijn vanwege de waarde die zij hechten aan afstandelijkheid en objectiviteit. TikTok heeft zo bijgedragen aan het bewustzijn, aan het genereren van publiciteit. Het is afwachten welke rol het kan spelen in de volgende fases van dit conflict.

Digitale vaardigheden van laagopgeleide ouderen blijven achter (Linda Duits)

Deze blogpost verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Nederland doet het doorgaans goed in termen van digitale vaardigheden: we staan op de vierde plek in de Europese Digital Economy & Society Index, die connectiviteit, vaardigheden, internetgebruik, integratie van digitale technologie en digitale publieke diensten indiceert. Maar niet alle Nederlanders doen het even goed, al jaren worden er verschillen vastgesteld tussen leeftijdsgroepen en opleidingsniveau. Dat is ook het geval in een nieuwe monitor van het Rathenau Instituut.

Vier onderwerpen worden besproken, steeds op basis van bestaande onderzoeken waarin naar zelfrapportage is gevraagd.

1. Digitale basisvaardigheden
Van de Nederlanders bezit 79 procent digitale basisvaardigheden, dat is aanzienlijk hoger dan het EU-gemiddelde van 58 procent. Bij jongeren liggen opleidingsniveau nauwelijks uit elkaar (max tien procentpunten), bij ouderen zijn er grote verschillen zoals onderstaande figuur toont. Het gaat met name om een gebrek aan softwarevaardigheden.

Er zijn in Nederland, in tegenstelling tot andere EU-landen, slechts minieme verschillen tussen stad en platteland.

2. Digitale overheid
Zulke vaardigheden zijn bijvoorbeeld nodig omdat de overheid haar burgers steeds vaker vraagt om digitaal contact te maken. Ook dat doen Nederlanders volop: in 2021 heeft 87 procent van de Nederlanders via internet contact gehad met de overheid, tegenover 58 procent EU. Wellicht heeft dat te maken met corona-afspraken die online geregeld konden worden, maar het Rathenau zegt hier niets over.

De groep 25- tot 54-jarigen doet het meest. Er zijn hier bij alle leeftijdsgroepen grote verschillen (ongeveer 30 procentpunten) tussen tussen laag- en hoogopgeleiden, zie de figuur.

Opmerkelijk is het lage aantal mensen dat politieke meningen uit via blogs of sociale media: slechts acht procent. Een extra reminder dat wat je leest op zulke platformen op geen enkele manier een afspiegeling is van de bevolking. In Europa gemiddeld gaat het om twaalf procent.

3. Online bankieren en winkelen
Daarnaast zijn vaardigheden nodig om online te kunnen bankieren, een dienst die nog maar minimaal offline beschikbaar is. Ook hier zitten we hoog: 91 procent van alle Nederlanders doet dit, tegen slechts 58 procent gemiddeld in de EU. Alle leeftijden doen dit en de er zijn wel verschillen tussen opleidingsniveaus, maar die zijn kleiner dan bij contact met de overheid, zie de figuur.

In het coronajaar 2021 werd er veel online gewinkeld, 70 procent van de Nederlanders doet dit (EU: 49%). Een klein deel, zeven procent, geeft aan dit niet te doen wegens gebrek aan vaardigheden. Zij laten zich weerhouden door zorgen over de veiligheid van de betaling en voorkeur om naar een fysieke winkel te gaan.

4. Digitale veiligheid
Dat je iets kunt, betekent niet automatisch dat je dit ook veilig doet. Een manier om digitale veiligheid te meten is te kijken naar het percentage dat dezelfde inloggegevens gebruikt voor sociale netwerken als voor andere online services, omdat dit bedrijven toegang geeft tot persoonlijke informatie. Hier valt wat te winnen: zestig procent van de Nederlandse jongeren doet dit, bij laagopgeleiden en middelbaaropgeleiden komt dit net iets vaker voor.

Implicaties
De achterblijvende digitale vaardigheden van lageropgeleiden brengen volgens het Rathenau “grote risico’s met zich mee op toenemende ongelijkheid in onze steeds verder digitaliserende samenleving”. Het instituut gaat niet in op wie hierop actie zou moeten ondernemen. De overheid ligt voor de hand: zij vraagt immers steeds meer digitaal van haar burgers en toegankelijkheid zou prioriteit moeten zijn.

De informatie van deze monitor is opgesteld op basis van zelfrapportage. Uit ander onderzoek blijkt dat Nederlandse volwassenen vaak wel denken dat ze zich online veilig gedragen, maar dat dit in de praktijk tegenvalt. Ze delen bijvoorbeeld toch persoonlijke informatie en klikken op onbetrouwbare linkjes. Ook hier heeft de overheid een taak.

Trend: cd’s (Linda Duits)

Deze blogpost verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Niet lang nadat cd’s vinyl van de markt had verdrongen wegens vermeende superioriteit van geluid, begon de elpee aan haar retour. Mensen loofden de ‘authentieke’ sound van vinyl, juist het krakende geluid zou sfeervol zijn tegenover de ‘kille’ cd. Naar verluid heeft BBC-Radio1-dj John Peel daarover gezegd:

“Somebody was trying to tell me that CDs are better than vinyl because they don’t have any surface noise. I said, ‘Listen, mate, life has surface noise.’”

In de groeven zouden herinneringen naar boven komen, de platenhoezen zouden daar evenzeer aan bijdragen en bovendien mooier zijn dan cd-hoesjes. Platen waren cool, cd’s niet. Maar wat cool is, is veranderlijk en naar alles van vroeger kan nostalgie ontstaan. Dus ook naar de cd.

Peter van der Ploeg van NCR rapporteert een comeback van het schijfje. De cd is volgens hem bezig aan een voorzichtige comeback. In de VS stijgt de verkoop voor het eerst in zeventien jaar. Dat zijn niet allemaal boomers. De cd is in onder jongeren, ook in Nederland. Van der Ploeg interviewt eigenaar Merel Parlevliet van de Amsterdamse muziekwinkel Velvet:

“Vijftien, zestien jaar zijn ze. Echt de generatie die met Spotify is opgegroeid, die kopen nu heel veel tweedehands cd’s. Muziek uit de jaren negentig is populair, zo verkopen we elke week wel cd’s van Nirvana en Amy Winehouse, maar ook muziek van nu, zoals Kendrick Lamar en Tame Impala. … Ze hebben boeken op de e-reader, muziek op Spotify, films in Netflix. En als iemand dan bij ze op bezoek komt, missen ze iets van identiteit. Daarom willen ze weer graag cd’s aan de muur.”

De cd is dus een manier om je smaak tentoon te stellen en je identiteit te laten zien. Het help mee dat cd’s veel goedkoper zijn dan vinyl. Wil je dus ostentatief je muziekcollectie showen, dan ben je veel goedkoper uit. Dick van Dijk, eigenaar van onder andere Concerto en Plato:

“De cd-markt bestaat voor misschien wel 70 procent uit heruitgaven: alles wat 25, 30, 40 of 50 jaar oud is verschijnt in een nieuw jasje. Van Radiohead tot Crosby, Stills Nash & Young, van The Beatles tot de Stones. Die verschijnen meestal op zowel cd als vinyl, maar de cd-boxen zijn vaak ook aantrekkelijk. Betaalbaarder, én er kunnen meer extraatjes bijzitten. Logisch ook, want er zijn simpelweg meer opslagmogelijkheden: wat je op vier lp’s moet persen, past op één cd’tje. En dat wekt de interesse van de verzamelaars.”

Dat maakt de cd aantrekkelijker voor jonge mensen die uit het niets een verzameling moeten opbouwen. Daarbij geldt dat iedere generatie nostalgisch is naar tijden die zij niet mee hebben gemaakt. De eurohouseliedjes op cd’s als die uit de populaire Hitzone-reeks vinden veel veertigers wellicht trashy, voor vijftienjarigen van nu is het retro van hun ouders. ‘Rhytm is a dancer’ uit 1992 is voor hen net zo lang geleden als ‘The Twist’ van Chubby Checker was voor mensen die vijftien waren in 1992.

Games bespioneren gamers om ze geld afhandig te maken (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Games leunen op regels: een actie van een speler kan verschillende gevolgen hebben, op basis van vooraf bekende regels. Eén manier om games te definiëren is dan dat games systemen zijn die menselijke handelingen omzetten in kenbare en voorspelbare output. Anders gezegd: de acties die je verricht in een game leveren data op. En waar data is, is surveillance.

Game-onderzoekers waarschuwen er al langer voor dat bedrijven en overheden burgers bespioneren in games (zie dit themanummer uit 2014). Gameplay, dus hoe een speler speelt, kan gekoppeld worden aan gegevens over zijn persoonlijkheid, om tot verbanden te komen als ‘plichtsgetrouwe spelers doen graag saaie taakjes zoals vissen’ (een voorbeeld uit een onderzoek). Wired gebruikt dit voorbeeld om vervolgens te waarschuwen voor “a new industry of firms selling middleware “data analytics” tools”.

Deze bedrijven gebruiker de data van spelers om strategisch voordeel te behalen voor gameontwikkelaars. Voor hen is het immers handig om te weten wat voor soort gamers waardevol zijn, dat wil zeggen: wie speelt lang, wie is bereid veel geld te betalen voor een game of op een advertentie te klikken.

“These companies sell the eyeballs (and perhaps fingers, with playable ads) of their users to advertisers and mobilize data to best match users with advertisers based on the specifications of the advertiser or the software working on the advertiser’s behalf.”

Net als met andere vormen van online surveillance is het bewustzijn onder consumenten van dit soort praktijken laag. Het persoonlijk voordeel (een leuk spel spelen) weegt op tegen het vrijwel onzichtbare nadeel.

De mythe van ‘tech exceptionalism’: waarom ‘tech’ niet anders is dan voorgaande industrieën (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

De toekomst is fantastisch. ‘Tech’, de afkorting voor nieuwe technologieën en innovaties, gaat ons een betere wereld brengen. Het is een onzingedachte die desalniettemin door mensen werkzaam in tech volop gebezigd wordt. Het geloof in zulke progressie stoelt sterk op wat tech exceptionalism wordt genoemd: het idee dat deze sector fundamenteel anders is dan iedere andere industrie die hiervoor bestaan heeft.

Tech is niet alleen heilig overtuigd van de eigen goede bedoelingen, de sector vindt ook dat ze daarom een uitzonderingspositie verdient. Dit is een schadelijke mythe die ons ervan weerhoudt de gevolgen in het nu te overzien. Dat betogen Yaël Eisenstat en Nils Gilman van de denktank Berggruen Institute in een overtuigend essay.

Dubbel
Ze noemen het beeld dat tech van zichzelf schetst “hypocriet”:

“On the one hand, tech represents (and especially presents itself) as all that is good about contemporary capitalism: it produces delightful new products, generates vast new troves of wealth and inspires us quite literally to reach for the heavens. On the other hand, the harms caused by “tech” have become all too familiar: facial recognition technology disproportionately misidentifying people of color, Google reinforcing racist stereotypes, Facebook stoking political polarization, AirBnB hollowing out city centers, smartphones harming mental health and on and on. Some go so far as to claim that tech is depriving us of the very essence of our humanity.”

Techbedrijven gebruiken de mythe van tech exceptionalism om zichzelf een uitzonderingspositie in te praten:

“It is different, the myth says, because it is inherently well-intentioned and will produce not just new but previously unthinkable products. Any micro-level harm — whether to an individual, a vulnerable community, even an entire country — is by this logic deemed a worthwhile trade-off for the society-shifting, macro-level “good.””

Het idee is dus dat tech vooruitgang brengt. ‘Disruptie’ is een heilige graal geworden en waar ontwricht wordt, tja, daar vallen spaanders. Als dat de democratie is, dan is het pech en moet iemand anders het probleem maar oplossen, vatten Eisenstat en Gilman samen.

Weg met regels
Het gaat hier om Amerikaanse bedrijven die groot zijn geworden in een periode dat er veel afkeer was van regulering. Vanaf de jaren 80 heerst er in de VS een “libertarian ethos” dat regelgeving ziet als de vijand van innovatie. Deze bedrijven vinden zichzelf ook nog eens als inherent anders dan bestaande industrieën. Daarvan is de schade bekend en is duidelijk dat er ingegrepen moet worden. Bij tech wordt dat anders gezien, omdat wat nog niet bestaat niet te reguleren is:

“Tech’s identity, on the other hand, was defined around the constant creation of the radically new or the disruption of the outdated, for which the proper regulatory framework could not be anticipated in advance. Would-be tech regulators were derided as dull bureaucrats, would-be killers of the golden goose, applying rules based on systems that tech itself, if left alone, would soon supersede anyway.”

In deze redenatietrant weegt het goede dat tech mogelijk brengt altijd op tegen enig slechte. Tech is zo meer dan een industrie, het is een “attitude toward the future”. Het gaat dus niet om het wegen van baten nu tegen de schade nu, maar er wordt ingezet op de baten van de toekomst. Dat is – uiteraard – oneigenlijk.

Overheidsingrijpen
De auteurs stellen dat de (Amerikaanse) overheid wellicht niet altijd de boel goed kan bijbenen, maar dit betekent niet dat techbedrijven vrij spel zouden moeten mogen hebben. Het is volgens hen simpel: “Facebook and other social media companies must be regulated on the basis of protecting against the harms they create”.

Daartoe is het noodzakelijk om politieke keuzes te maken over wat we willen accepteren van techbedrijven. De auteurs wensen daarom een debat over waarden in plaats van – zoals het nu gebracht wordt – over efficiënte processen.

Vogels zijn niet echt! (gastpost over desinformatie van Remco Pijpers)

Ik las dit bericht van Remco Pijpers op Linkedin en moest ongelooflijk gniffelen. Ik vroeg hem of ik zijn bericht hier ook mocht delen:

Vogels zijn niet echt. Tussen 1959 en 2001 heeft de Amerikaanse overheid 12 miljard vogels uitgemoord en vervangen door drone-replica’s die de burgers bespioneren. Het begon als een grap, bedoeld om desinformatie belachelijk te maken. De 23-jarige Peter McIndoe sloot in een jolige bui aan bij een tegendemonstratie bij the Women’s March, met een protestbord met de tekst ‘Birds Aren’t Real’. Humor als wapen. Iemand vroeg hem wat hij bedoelde, ter plekke verzon hij het complot. Hij werd gefilmd en hij ging viraal, razend populair onder jongeren, die hilarische memes maakten. “If it flies, it lies!” Inmiddels nemen honderdduizenden jongeren deel. McIndoe stopte met zijn studie om ‘the movement’ te kunnen leiden, waarbij hij prachtig in zijn rol blijft. Meent hij het nou, of niet? Check birdsarentreal.com

In deze podcast van de New York Times vertelt hij erover:

Misschien een mooie casus voor scholen en lerarenopleidingen. Je kunt er het goede gesprek over voeren. Dat is ook de inzet van de landelijke campagne Goedingesprek.nl over desinformatie, deze week gestart door diverse organisaties als Netwerk MediawijsheidNederlands Instituut voor Beeld en GeluidPractoraat Mediawijsheid en Kennisnet. Met nieuw lesmateriaal en meer casussen op wikiwijs.nl/desinformatie.