Een recente studie van Mary Brushe en collega’s, uitgevoerd in Australië, onderzocht de invloed van schermtijd op ouder-kind gesprekken bij kinderen tussen 12 en 36 maanden. Het onderzoek gebruikte geavanceerde spraakherkenningstechnologie om het aantal gesproken woorden, kinderlijke vocalisaties en gesprekken of conversatierondes in huishoudens te meten. De resultaten zijn veelzeggend: meer schermtijd bleek gelinkt te zijn met een afname van deze belangrijke interacties.
Voor elke extra minuut schermtijd hoorde een kind namelijk gemiddeld 6,6 minder woorden van volwassenen, produceerde het 4,9 minder vocalisaties en waren er 1,1 minder conversatierondes. Dit effect was het sterkst bij kinderen van 36 maanden. De onderzoekers benadrukken het belang van een taalrijke omgeving voor de vroege ontwikkeling, maar stellen ook dat technologie deze interacties verstoort, een fenomeen dat zij “technoference” noemen.
Hoewel deze bevindingen belangrijk zijn, moeten we voorzichtig zijn met interpretaties. Correlatie betekent niet per se causaliteit. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat gezinnen met meer schermgebruik ook andere factoren hebben die invloed hebben op ouder-kind interacties, zoals stress of tijdgebrek. Het onderzoek hield rekening met enkele van deze factoren, zoals de psychologische stress van de primaire verzorger, maar kan niet uitsluiten dat andere onbekende variabelen een rol spelen.
Deze resultaten benadrukken de noodzaak van bewuste keuzes rondom schermgebruik. Het vervangen van schermtijd door gezamenlijke activiteiten kan bijdragen aan een taalrijke omgeving die essentieel is voor de ontwikkeling van kinderen. Interventies zouden zich niet alleen moeten richten op het verminderen van schermtijd, maar ook op het bevorderen van kwalitatieve interacties, bijvoorbeeld door samen schermen te gebruiken op een interactieve manier.
Dit onderzoek roept op tot verdere studie naar hoe we technologie kunnen integreren in een gezinsleven dat de taalontwikkeling van jonge kinderen ondersteunt. Schermen hoeven niet altijd schadelijk te zijn, maar hoe we ze gebruiken, maakt een groot verschil.
Abstract van het onderzoek:
IMPORTANCE: Growing up in a language-rich home environment is important for children’s language development in the early years. The concept of “technoference” (technology-based interference) suggests that screen time may be interfering with opportunities for talk and interactions between parent and child; however, limited longitudinal evidence exists exploring this association.
OBJECTIVE To investigate the longitudinal association between screen time and 3 measures of parent-child talk (adult words, child vocalizations, and conversational turns) when children are 12 to 36 months of age.
DESIGN, SETTING, AND PARTICIPANTS This Australian prospective cohort study used advanced speech recognition technology to capture young children’s screen time and home language environment, on an average 16-hour day. Data were collected from 220 families once every 6 months in the family home when children were 12, 18, 24, 30, and 36 months of age, from January 1, 2018, to December 31, 2021. Statistical analysis took place from November 1, 2022, to July 31, 2023.
EXPOSURE Language Environment Analysis (LENA) technology provided automated counts of children’s language environment and exposure to electronic noise. The exposure of interest was screen time, which was calculated based on manual coding of LENA electronic noise audio segments. MAIN OUTCOMES AND MEASURES Three measures of parent-child talk were outcomes of focus: adult words, child vocalizations, and conversational turns. Separate models were run for each of the 3 outcomes and included adjustment for child sex, child age, maternal educational level, number of children at home, number of home activities, and primary caregiver’s psychological distress.
RESULTS The study included 220 families (120 girls [54.6%]; mean [SD] gestational age of children, 39.3 [1.5] weeks; mean [SD] age of mother at childbirth, 31.3 [4.8] years). Adjusted linear mixed-effect models demonstrated that increases in screen time were associated with decreases in measures of parent-child talk. The largest decreases were seen at 36 months, when an additional minute of screen time was associated with a reduction of 6.6 (95% CI, −11.7 to −1.5) adult words, 4.9 (95% CI, −6.1 to −3.7) child vocalizations, and 1.1 (95% CI, −1.4 to −0.8) conversational turns.
CONCLUSION AND RELEVANCE Findings of this study support the notion of technoference for Australian families, whereby young children’s exposure to screen time is interfering with opportunities to talk and interact in their home environment. This finding has implications for interventions and supports aimed at promoting a language-rich home environment, with families needing support in understanding the potential association of screen time with opportunities for children and adults to talk and interact in their home environment.