Er is de voorbije tijd veel te doen geweest over het belang van hoge verwachtingen in het onderwijs. En ik merk hoe een bepaald mechanisme ook opduikt naar aanleiding van het ondertussen tragische verhaal van Jason Arday. De link lijkt even vergezocht, maar is in feite heel actueel als je dit stuk leest van Mia Doornaert (voor een eerdere conservatieve stem), of het stuk dat ik deelde van Tyler Austin Harper voorbije zaterdag (voor een eerder progressieve stem). Maar hoe zien lage verwachtingen er eigenlijk uit in een klas? Soms een pak minder duidelijk dan we denken.
Dat is alvast de interessante gedachte achter een nieuw artikel van Eddie Brummelman en collega’s. Het gaat voor alle duidelijkheid niet om een nieuwe experimentele studie. Zelfs niet om een systematische review of meta-analyse. De auteurs brengen in een narratieve review verschillende onderzoekslijnen samen en bouwen daarmee een theoretisch model op van hoe sociaaleconomische ongelijkheid via de klas in de hoofden van kinderen terecht kan komen.
Hun vertrekpunt is ondertussen behoorlijk bekend. Leraren kunnen, vaak zonder dat ze zich daarvan bewust zijn, verschillende verwachtingen hebben van leerlingen met verschillende sociaaleconomische achtergronden. Zo beschrijven Brummelman en collega’s onderzoek waarin leraren de capaciteiten van kinderen met een lagere sociaaleconomische status lager inschatten dan die van kinderen met een hogere status, zelfs wanneer hun daadwerkelijke prestaties gelijk zijn. Ook bij beoordelingen, verwachtingen en adviezen zijn dergelijke verschillen al vaker eerder gevonden.
Interessanter wordt het wanneer de auteurs kijken naar hoe die lagere verwachtingen zichtbaar kunnen worden. We denken bij lage verwachtingen misschien spontaan aan een leraar die tegen een leerling zegt dat iets te moeilijk voor hem of haar zal zijn. Of aan een leerling die een lager advies krijgt dan een andere leerling met dezelfde capaciteiten.
Maar lage verwachtingen kunnen ook opvallend vriendelijk klinken.
Stel bijvoorbeeld dat twee leerlingen dezelfde moeilijke opdracht correct oplossen. Tegen de ene leerling zegt de leraar gewoon: “Goed gedaan.” Tegen de ander: “Wauw! Fantastisch! Ongelooflijk goed gedaan!” Wie kreeg in dit geval de meest positieve feedback? Je zou op het eerste gezicht natuurlijk hierbij aan de tweede leerling kunnen denken. Alleen… het kan ook best zijn dat die leerling ook iets anders hoort: blijkbaar had je niet verwacht dat ik dit zou kunnen.
Experimenteel onderzoek dat Brummelman en collega’s bespreken voor hun model, suggereert inderdaad dat leraren bij gelijke prestaties vaker overdreven complimenten geven aan leerlingen met een lagere sociaaleconomische achtergrond. Kinderen die zien dat iemand voor dezelfde prestatie veel uitbundiger wordt geprezen, kunnen daar bovendien uit afleiden dat die leerling harder heeft moeten werken en dus misschien ironisch genoeg minder slim zou kunnen zijn.
Eenzelfde mechanisme kan ook gebeuren met het geven van hulp. Een leerling worstelt met een opdracht en je schiet als leerkracht meteen te hulp. Dat lijkt zowat het tegenovergestelde van lage verwachtingen. Je bekommert je om de leerling en wil dat hij of zij slaagt. Maar ongevraagde hulp kan tegelijk een boodschap bevatten die je helemaal niet bedoelde: ik denk niet dat jij dit alleen kunt.
Nu blijken leerlingen daar behoorlijk gevoelig voor te zijn. In experimenteel onderzoek gaan kinderen die ongevraagd hulp krijgen zichzelf soms als minder competent zien, kiezen ze minder snel voor een volgende uitdaging en houden ze minder lang vol. En wat blijkt? Kinderen met een lagere sociaaleconomische achtergrond blijken vaker directieve en controlerende hulp van leraren te krijgen.
We hadden al loven, helpen, maar alle goeie of in dit geval goedbedoelde dingen bestaan vaak uit drie… En het derde is dan troosten. De titel van het artikel, ‘It’s OK—not everyone has to be an Einstein’ komt van een weliswaar fictief voorbeeld van een elfjarige jongen die teleurgesteld is over een zes op tien. Zijn leraar wil hem geruststellen en zegt: “Het geeft niet. Niet iedereen hoeft Einstein te zijn.”
Dit is tegelijk een bijzonder vriendelijke zin én een verschrikkelijke boodschap. Want de leraar had ook kunnen denken: dit resultaat past helemaal niet bij wat deze leerling kan. Wat is er gebeurd? In plaats daarvan wordt de tegenvallende prestatie geïnterpreteerd als informatie over wat de leerling blijkbaar is. Experimenteel onderzoek laat zien dat troost die lage bekwaamheid suggereert ertoe kan leiden dat leerlingen denken dat hun leraar weinig van hen verwacht. Ze kunnen vervolgens ook zelf lagere verwachtingen ontwikkelen en minder gemotiveerd raken.
Want misschien wordt die uitdrukking soms iets te gemakkelijk gebruikt. Hoge verwachtingen betekenen niet dat we tegen iedere leerling moeten zeggen dat hij of zij Einstein kan worden. Het betekent ook niet dat iedereen hetzelfde zal bereiken, of dat verschillen in prestaties alleen een gevolg zijn van verwachtingen van leraren.
Het artikel van Brummelman en collega’s is daar trouwens behoorlijk voorzichtig over. De afzonderlijke mechanismen in hun model worden door een mix van observationeel, longitudinaal en experimenteel onderzoek ondersteund, maar de volledige keten is nog niet in echte klaslokalen causaal aangetoond. De auteurs zeggen dat zelf ook expliciet. Bovendien zijn de gevonden effecten in natuurlijke situaties vaak klein tot middelgroot. Verwachtingen van leraren zijn dus zeker niet de verklaring voor sociale ongelijkheid in onderwijs. Iets wat zeker de moeite is om ook nog even hier te herhalen.