Een economische organisatie zoals OESO maakt zich zorgen over hoe de productiviteit stagneert. Dat is logisch. Maar in een nieuwe working paper die ik via Dirk Van Damme ontdekte, wordt een ander pijnpunt blootgelegd – eentje die we in discussies over economie zelden echt centraal zien: de staat van ons onderwijs, en meer nog, van ons menselijk kapitaal. Terwijl dit sommige lezers van deze blog misschien de kriebels kan geven, lees toch maar verder.
Wat blijkt namelijk? Bijna één zesde van de productiviteitsvertraging in OESO-landen sinds 2005 is te wijten aan het afremmen van de groei in menselijk kapitaal. En dat heeft minder te maken met hoeveel jaar mensen naar school gaan, en alles met hoeveel ze nog op school leren. De achteruitgang in PISA-scores – de internationale tests voor 15-jarigen – is ronduit zorgwekkend en dus niet enkel in Vlaanderen of Nederland. Sinds 2009 zijn die scores in veel landen stelselmatig gedaald, nog voor corona roet in het eten kwam gooien. De nieuwe generatie werknemers start met zwakkere basisvaardigheden – al viel dat in Vlaanderen recent nog relatief mee volgens PIAAC -, en dat zet een rem op de hele economie.
De auteurs van de paper, Dan Andrews, Balázs Égert, en Christine de la Maisonneuve pakken het probleem serieus aan. De auteurs bespreken hoe verschillende onderwijsbeleidskeuzes mee aan de basis kunnen liggen van de daling in leerprestaties. Zo blijkt uit hun analyse dat zwakkere leraren – zoals beoordeeld door schoolleiders – samenhangen met lagere PISA-scores, terwijl leerlingen die toegang kregen tot bijvoorbeeld kwaliteitsvol kleuteronderwijs doorgaans beter presteren op latere leeftijd. Ook het groeperen van leerlingen op basis van hun niveau tussen verschillende klassen binnen een school – bijvoorbeeld sterke en zwakkere leerlingen apart – lijkt eerder negatieve effecten te hebben – denk er ook aan dat dit haaks kan staan op hoge verwachtingen waar Leerpunt een rapport over publiceerde. Daartegenover staat dat ondersteuning bij huiswerk op school juist positief correleert met leerresultaten. Deze beleidsmatige verschillen verklaren mee waarom sommige landen meer achteruitgang kennen dan andere.
Maar de onderzoekers zien ook nog een andere, mogelijke structurele boosdoener: de snelle opmars van smartphones en sociale media in het leven van jongeren. Die technologieën hebben onze kinderen niet alleen afgeleid in de klas, maar ook slechter doen slapen, minder laten bewegen, en zelfs angstiger gemaakt. Vooral meisjes lijken daar extra kwetsbaar voor. En terwijl scholen worstelden met hoe ze hiermee moesten omgaan, gleed de onderwijskwaliteit stilletjes achteruit. Ik moet hier wel terug opmerken dat dit een correlatie beschrijft en dat mijn Engelstalige blog vol staat met onderzoeken die in beide richtingen uitgaan.
Er is gelukkig ook hoop volgens de auteurs. Onderwijsbeleid maakt wel degelijk een verschil. Kinderen die langer kleuteronderwijs volgden, beter ondersteunde leerkrachten hadden of op school leerden hoe je verantwoord met internet omgaat, scoorden beter. Het potentieel van beleidsmaatregelen is reëel: in sommige landen zouden eenvoudige hervormingen al snel 10 tot 15 PISA-punten kunnen opleveren – en dat vertaalt zich op termijn in hogere productiviteit.
De les uit dit rapport? Wie denkt dat economische groei draait om gadgets, infrastructuur of belastingverlagingen, vergeet iets fundamenteels: mensen moeten het doen. Als we hun leerproces van jongs af aan ondermijnen, omdat we schermtijd verwarren met leertijd, snijden we onszelf in de vingers. Technologie hoeft geen vijand te zijn, maar het onderwijs moet opnieuw de baas worden over het klaslokaal.
Dus nee, dit is geen pleidooi tegen digitalisering, iets wat ik tijdens het weekend al las toen ik sprak over onderzoek dat aantoont dat digitale middelen het leren *kunnen* hinderen (niet per se dus). Het is een pleidooi vóór verstandig beleid. Investeer in de kwaliteit van onderwijs, geef leraren steun, bescherm jongeren tegen overmatig schermgebruik, en vooral: besef dat elke PISA-punt telt voor de economie van morgen, maar bij uitbreiding voor iedereen die van die economie deel uitmaakt.