Een wetenschapper die te zichtbaar is, daar moet wel iets mis mee zijn.

Dat dacht men begin jaren ’90 toen Carl Sagan – sterrenkundige, auteur, tv-gezicht en misschien wel het bekendste wetenschappelijke boegbeeld van zijn tijd – werd voorgedragen voor de National Academy of Sciences. Ondanks zijn indrukwekkende publicatielijst werd hij afgewezen. Niet omdat zijn werk onvoldoende was. Maar omdat hij te vaak op televisie kwam. Te populair was. Te veel applaus van het publiek kreeg. Het kreeg een naam: het Sagan Effect. Het idee dat wie zich richt op wetenschapscommunicatie per definitie een minderwaardige academicus is.

Ik beken, ik word er ook soms mee geconfronteerd. Toen een artikel van Paul Kirschner en mezelf onderwerp werd van het editorial van Nature, kreeg ik herhaaldelijk de reactie ‘ah, ben je dan een echte wetenschapper?’ Ik had het er recent over met Ionica Smeets, professor wetenschapscommunicatie. Ze gaf me de tip om nog eens het Sagan Effect op te zoeken. En dat deed ik. Wat ik vond: een bijzonder scherp artikel uit The Journal of Neuroscience (Martinez-Conde, 2016), waarin precies die vraag centraal staat: is het Sagan Effect nog altijd springlevend?

Het antwoord is – helaas – genuanceerd ja.

Martinez-Conde toont aan dat wetenschappers die actief communiceren met het publiek gemiddeld net méér publiceren en vaker geciteerd worden dan hun collega’s die dat niet doen. Toch blijft de perceptie hardnekkig dat populaire wetenschappers ‘zichzelf verkopen’ of ‘te weinig in het lab staan’. Jonge onderzoekers krijgen geregeld het advies om maar beter te wachten met een boek of blog tot na hun benoeming. En wie wel zichtbaar is, wordt soms subtiel tegengewerkt bij subsidieaanvragen, beoordelingscommissies of interne promoties.

Zelfs de auteur van het artikel – een erkend neurowetenschapper – kreeg van haar leidinggevende te horen dat haar jaaroutput “uit balans” was: ze had meer populairwetenschappelijke artikelen gepubliceerd dan wetenschappelijke. Terwijl haar lab dat jaar wel het productiefste van de hele faculteit was. De boodschap: hou het netjes, en vooral gescheiden.

De pijn zit dus niet in het expliciete verbod, maar in het impliciete signaal. Dat zichtbaarheid alleen legitiem is als je eerst alles al hebt bereikt. Dat je geen wetenschapper én communicator mag zijn, tenzij je Nobelprijswaardig bent. En dat is meer dan een gemiste kans. Het ondermijnt jonge stemmen, nieuwe perspectieven en precies die groepen die we wél meer in de wetenschap willen betrekken.

Want zoals Martinez-Conde terecht opmerkt: het zou kunnen dat het Sagan Effect minder uitgesproken is dan vroeger. Maar de ambivalentie leeft voort. In de blikken. In de kleine opmerkingen. In de vrees om “te mediageniek” te zijn. In de waarschuwing: “Niet te veel bloggen, straks denken ze dat je niet serieus bent.”

En precies daarom moeten we het blijven benoemen. Niet om te klagen, maar om ruimte te maken. Voor wie wel het lef heeft om wetenschappelijke inzichten naar buiten te brengen, en daar geen punt van maakt dat het publiek ook luistert. Want uiteindelijk telt wetenschap pas als ze gedeeld wordt.

Dank aan Ionica dus, voor de tip. En aan Sagan, voor het voorwerk. Misschien is het tijd dat we zijn effect eindelijk omkeren.

Geef een reactie