Ik schreef al vaker dat het aanpakken van het lerarentekort begint met het behouden van wie als leerkracht start. Maar waarom haken startende leerkrachten af? Deze vraag tracht een nieuwe Vlaamse studie in Teaching and Teacher Education te beantwoorden. En ze left iets veel fundamenteels bloot: stabiliteit doet ertoe, en zelfs heel erg veel.
Jacob Van Belle en Mike Smet onderzochten hoe lang startende leraren in Vlaanderen in het beroep blijven. Niet via enquêtes over “intentie om te vertrekken”, maar via administratieve data van letterlijk alle afgestudeerden uit Vlaamse lerarenopleidingen tussen 2008 en 2021. Meer dan 55.000 startende leraren werden zo tot tien jaar lang opgevolgd. En methodologisch deden de onderzoekers iets slim: ze bekeken niet alleen wie vertrekt, maar ook wanneer. Dat lijkt een detail, maar het maakt een groot verschil.
De resultaten zijn tegelijk voorspelbaar en confronterend. De grootste uitstroom vindt plaats in de eerste twee jaar van de loopbaan. Na één jaar is nog ongeveer 85% actief in het onderwijs. Na tien jaar is dit nog steeds ongeveer 69%.
Opvallend, maar niet onverwacht als je het dossier wat volgt, is ook wat de onderzoekers zijn bij zogenaamde second career teachers, mensen die later in hun loopbaan naar onderwijs overstappen. Zij vertrekken duidelijk vaker dan leraren die meteen voor onderwijs kozen. Dat verschil blijft bestaan, zelfs wanneer je rekening houdt met andere factoren. Tegelijk is er een nuance die beleidsmakers waarschijnlijk graag zullen horen: de retentie van second career teachers lijkt de laatste jaren wel te verbeteren.
Maar wat zijn dan de de sterkste voorspellers van retentie? Dit blijken verre van mysterieuze psychologische factoren te zijn, maar iets veel concreters:
- voltijdse opdrachten,
- langere opdrachten,
- minder gaten tussen contracten,
- en meer perspectief op een vaste benoeming.
Met andere woorden: jobstabiliteit. Dat klinkt bijna banaal. Natuurlijk blijven mensen langer in een job wanneer ze zekerheid hebben. Maar precies daarom is het belangrijk. In discussies over lerarenuitval gaat het opvallend vaak over passie, autonomie, welzijn of “roeping”. Terwijl deze studie opnieuw toont dat arbeidsorganisatie en contractstructuur misschien nog fundamenteler zijn. En de steeds terugkomende discussie over de vaste benoeming, krijgt zo ook weer een nieuw houtblok op het vuur.
Maar zo onlogisch is dit resultaat ook weer niet. Wie jaren moet puzzelen met tijdelijke contracten, verschillende scholen, versnipperde opdrachten en onzekerheid over volgend schooljaar, krijgt niet alleen praktische stress. Het wordt ook moeilijker om professioneel te groeien, relaties op te bouwen of zich echt onderdeel van een schoolteam te voelen.
Interessant genoeg vonden de onderzoekers ook enkele minder intuïtief-logische zaken. Zo blijkt werken in meerdere scholen in het begin niet noodzakelijk negatief samen te hangen met retentie. Ook betaalde overuren hangen zelfs samen met iets hogere retentie. Mogelijk omdat gemotiveerde starters bereid zijn complexe opdrachten te combineren als die tenminste voldoende werkzekerheid bieden.
Daarnaast bevestigt de studie iets dat we al langer zien: leraren in het secundair onderwijs verlaten het beroep vaker dan leraren in het kleuter- of lager onderwijs. Vooral bij second career teachers blijft dat verschil langdurig zichtbaar. Mogelijk omdat hun vakspecialisatie hen ook buiten het onderwijs aantrekkelijk maakt voor andere werkgevers.
Wat deze studie ook interessant maakt, is wat ze níét vindt. Schoolkenmerken blijken relatief beperkt samen te hangen met uitstroom. Zelfs de socio-economische samenstelling van de school blijkt nauwelijks een duidelijke rol te spelen. Dat betekent niet dat context onbelangrijk is, maar wel dat het publieke debat soms te snel simplificeert richting “moeilijke scholen”. Een fout die ik ook al maakte.
Methodologisch is dit trouwens gewoon een sterke studie. Grote longitudinale populatiedata. Exacte uitstroommetingen. Goede statistische modellen. En vooral: aandacht voor hoe effecten veranderen doorheen een loopbaan in plaats van alles als statisch te behandelen.
Tegelijk blijven er uiteraard beperkingen. Administratieve data vertellen weinig over motivatie, collegiale steun, schoolcultuur of ervaren werkdruk. En causaliteit aantonen blijft moeilijk. Maar net daarom is het interessant dat structurele factoren zo duidelijk naar voren komen.