Wat als een van de beroemdste psychologie-experimenten niet klopt?

Nee, het gaat niet (weer) over het Stanford Prison Experiment, Milgram (al zijn daar wel geslaagde replicaties),… Vandaag wil ik even stilstaan bij cognitieve dissonantie. Dit is een van die psychologische begrippen die bijna iedereen ooit heeft gehoord. Zelfs wie nooit een cursus psychologie heeft gevolgd, kent meestal wel het basisidee.

Het komt erop neer dat mensen er niet van houden als hun gedrag en overtuigingen met elkaar botsen. Dus als ze iets doen dat eigenlijk niet past bij wat ze geloven, dan passen ze soms hun overtuigingen aan zodat alles weer mooi klopt.

Enkele voorbeelden om dit te illustreren:

  • Roken is ongezond, maar ik rook toch? Dan ga ik misschien denken dat de gezondheidsrisico’s overdreven zijn.
  • Ik koop een veel te dure auto? Dan begin ik misschien te geloven dat die aankoop eigenlijk perfect rationeel was. (Nota voor mijn vrouw: deze is puur toevallig als voorbeeld).

Het idee klinkt behoorlijk intuïtief correct en menselijk. En het werd een van de invloedrijkste theorieën uit de sociale psychologie. Maar de voorbije jaren gebeurde iets interessants. Niet in eerste instantie met de theorie zelf, maar met een van haar beroemdste experimenten. En op die manier misschien wel uiteindelijk toch met de theorie.

In 2024 verscheen een van de grootste replicatiestudies ooit rond cognitieve dissonantie. Geen klein experiment met enkele tientallen studenten, maar een preregistreerde internationale samenwerking tussen 39 onderzoeksgroepen uit 19 landen, goed voor bijna 5.000 deelnemers. Hierbj wilden de onderzoekers een klassiek paradigma opnieuw testen: het zogenaamde induced-compliance experiment.

In dit experiment moeten deelnemers argumenten schrijven vóór iets waar ze eigenlijk tegen zijn. Bijvoorbeeld hogere inschrijvingsgelden aan de universiteit, terwijl je als student daar tegen zou moeten zijn en ook bent. Volgens de theorie ontstaat er dan een spanning tussen wat iemand gelooft en wat die persoon net heeft gedaan. En precies die spanning zou ertoe moeten leiden dat mensen hun houding wat aanpassen in de richting van hun gedrag.

De cruciale voorspelling zit daarbij niet zomaar in het schrijven van het essay. De theorie stelt dat vooral de ervaring van keuze belangrijk is. Dit moet ik wat meer uitleggen. Mensen zouden vooral van houding veranderen wanneer ze vrijwillig beslissen om iets te verdedigen waar ze eigenlijk niet achter staan. Wanneer ze het gevoel hebben dat ze geen keuze hadden, zou dat effect veel kleiner moeten zijn.

En net daar liep het mis bij de replicatie. De onderzoekers vonden wel dat mensen na een tegenattitudinaal essay iets positiever werden over het standpunt dat ze hadden verdedigd. Maar ze vonden niet het klassieke verschil tussen een hoge-keuzeconditie en een lage-keuzeconditie. Met andere woorden: het schrijven van het essay leek iets te doen, maar de beroemde keuzemanipulatie waarop tientallen jaren onderzoek steunden, werkte niet zoals verwacht.

Dat betekent dus niet dat cognitieve dissonantie plots verdwenen is. Wetenschap werkt gelukkig niet zo. Een theorie is zelden of nooit een enkel experiment. En cognitieve dissonantie steunt op veel meer onderzoek dan enkel deze ene taak. Er bestaan andere paradigma’s, andere bevindingen en ondertussen ook heel wat theoretische uitbreidingen.

Maar wat deze studie wel deed, is iets anders. Ze maakte het moeilijker om naar dit specifieke experiment te verwijzen alsof het onbetwist bewijs levert. Dat bleek ook uit de reacties die volgden. Sommige onderzoekers argumenteerden namelijk dat de replicatie het effect mogelijk niet sterk genoeg had opgewekt. Misschien waren de essays te lang. Misschien werkte de keuzemanipulatie anders dan vroeger. Of misschien speelde de context van de COVID-periode een rol. En zo kunnen we nog wel mogelijke pistes bedenken.

Andere onderzoekers heranalyseerden de data en stelden vast dat de subjectieve ervaring van keuze mogelijk nog steeds relevant is. Mensen die zich écht vrij voelden om te kiezen, leken meer attitudeverandering te vertonen dan mensen die weinig keuze ervoeren.

Maar wat doet zo een mislukte replicatie nu voor de wetenschap? Vroeger was het standaardverhaal ongeveer dit:

Cognitieve dissonantie werkt, kijk maar naar dit beroemde experiment.

Vandaag is het eerder:

Cognitieve dissonantie is waarschijnlijk reëel, maar hoe sterk dit beroemde experiment dat precies aantoont, is minder duidelijk dan we lang hebben aangenomen.

Dat betekent niet dat cognitieve dissonantie verdwenen is. Maar wanneer een van de bekendste experimentele demonstraties van een theorie minder robuust blijkt dan gedacht, heeft dat natuurlijk ook gevolgen voor hoe sterk we het bewijs voor die theorie inschatten. Het maakt wetenschap wellicht minder sexy. Je kan denken: dat ze eens terugkomen als ze het zeker weten, maar dit is hoe wetenschap hoort te werken.

Een klein experiment uit de vorige eeuw wordt beroemd. Het verschijnt in handboeken. Duizenden studenten leren het kennen. Vervolgens volgt een preregistreerde internationale replicatie met duizenden deelnemers. De resultaten blijken minder overtuigend dan verwacht. Onderzoekers discussiëren. Nieuwe analyses worden gedaan op de data en worden gepubliceerd. En vervolgens worden theorieën bijgeschaafd.

Deze week heb ik zelf nog potentieel interessant en relevant onderzoek gezien van studenten dat potentieel een deel van mijn eigen denken deels zou kunnen weerleggen. In plaats van dat het pijn deed, maakte het me zeer nieuwsgierig. Het kan zijn dat ze een fout hebben gemaakt. Het kan evengoed zijn dat ik – en anderen – ooit ons denken gaan moeten nuanceren of herzien. En zo blijven we bezig? Nee, zo gaan we vooruit.

Geef een reactie