Van globalisering naar geopolitiek: de nieuwe realiteit van universiteiten

Vandaag de dag denkt nog maar weinig iemand dat universiteiten per definitie boven de politiek staan. Zeker nu Trump opnieuw aan de macht is, zie je hoe snel wetenschap en hoger onderwijs verstrengeld raken met (geo)politieke spanningen. Toch leven we vaak nog met het idee – of de hoop – dat kennis universeel is en universiteiten een neutrale ruimte vormen. Simon Marginson laat in een recent onderzoek zien hoe misleidend dat beeld kan zijn. Zijn analyse schetst hoe globalisering en macht de voorbije decennia het speelveld van het hoger onderwijs hebben veranderd – en waarom we dat vandaag opnieuw scherp voelen.

Het lijkt ondertussen een eeuwigheid geleden, maar na 1990 leek de wereld één grote open ruimte. De Koude Oorlog was voorbij, de VS en het Westen leidden de globalisering, en universiteiten gingen gretig mee. Engels werd de lingua franca, rankings uit Londen en Shanghai bepaalden wie meetelde – dit weekend nog het nieuws dat twee Vlaamse universiteiten in de top 100 staan – en internationale mobiliteit groeide spectaculair. Dat bracht kansen: meer samenwerking, meer studenten die over grenzen heen leren, meer kennisuitwisseling. Maar er zat ook een keerzijde aan. De spelregels waren grotendeels Westers, en wie wilde meedoen, moest zich schikken naar de logica van competitie, rendement en status.

Sinds ongeveer 2015 is dat beeld grondig aan het schuiven. De opkomst van China en het mondiale Zuiden maakt dat de hegemonie van het Westen niet langer vanzelfsprekend is. Tegelijk zie je in Europa en de VS een groeiend wantrouwen tegenover globalisering. Populistische politiek en angst voor migratie leidden tot meer afsluiting, van Brexit tot beperkingen op onderzoeks- en studentenuitwisseling. De breuklijn tussen de VS en China in wetenschap en technologie maakt universiteiten kwetsbaar: ineens gaat het niet meer alleen om kennisdeling, maar ook om strategische controle.

Wat moeten we hiermee? Enerzijds is het duidelijk dat de toekomst multipolair is: steeds meer landen en regio’s bouwen sterke universiteiten en wetenschapsinfrastructuren op. Dat is goed nieuws voor de diversiteit en vitaliteit van de academische wereld. Anderzijds toont Marginson scherp hoe ongelijkheid en machtsverhoudingen hardnekkig blijven. De taal, de rankings en de regels zijn nog steeds grotendeels Westers, en de risico’s van deglobalisering zijn reëel. Minder samenwerking en meer afsluiting kunnen de wetenschap verarmen, net op het moment dat mondiale problemen – klimaat, migratie, pandemieën – meer gezamenlijke kennis en oplossingen vragen.

Nostalgie naar die periode van grenzeloze internationalisering is begrijpelijk, maar naïef. Ook toen was er ongelijkheid en koloniale continuïteit. Het huidige kantelpunt dwingt ons vooral om kritischer te kijken: welke vormen van samenwerking willen we, wie bepaalt de agenda, en hoe zorgen we dat internationalisering meer is dan het exporteren van één model?

Abstract van het artikel:

Purpose
After reviewing global ontology and spatiality, globalization (worldwide convergence and integration), geopolitics, and the interacting national and global scales, the paper tracks the changing geopolitical order in general and in higher education in two main historical phases: Western-dominated and primarily U.S.-led globalization from 1990 to 2015, and partial deglobalization in the West and the American decoupling since 2015.
Design/Approach/Methods
The paper develops an original theorized historical synthesis, drawing on a range of scholarly and empirical sources.
Findings
The uneven but widespread post-2015 Western pushback against cross-border connections has been triggered by (a) the erosion of the longstanding colonial order and the growing global multiplicity in agency, culture, and identity, including the rise of China and much of the global South; and (b) the neoliberal immiseration of Euro-American populations which has helped to fuel populist politics. Normative internationalization and cosmopolitanism have given way to assertions of singular national identity and the weakening of multilateralism, nativist resistance to migration, including cross-border student mobility, and the U.S.-engineered partial breakdown in relations between the U.S. and China in political economy, technology, science, and universities.

Geef een reactie