Ik zag net in De Afspraak cijfers die ik maar al te goed kende. Enkele weken geleden zag ik de opvallende cijfers in het Nederlandse HBSC-onderzoek over de tolerantie van jongeren tav holebi’s in Nederland. De cijfers van de voorbije weken blijven in mijn hoofd spoken. Disclaimer: ik heb zelf als mens veel moeite met deze evoluties. En net daarom houdt me één vraag erg bezig: waarom?
De meest voor de hand liggende verklaringen lijken alvast niet voldoende. De daling kan bijvoorbeeld niet eenvoudig worden toegeschreven aan een veranderde samenstelling van de groep jongeren. Het klopt, jongeren met een migratieachtergrond staan gemiddeld minder positief tegenover homoseksualiteit. Maar… de terugval doet zich zowel voor bij jongeren met als zonder migratieachtergrond. Dit nuanceert wat sommigen lijken te denken. Ook bleek het aandeel jongeren met een migratieachtergrond in het HBSC-onderzoek in 2025 ongeveer even groot als in 2021.
Nog een verklaring die minder kloppend lijkt, is dat het zou komen door een soort algemene preutsheid. Ook hier klopt het deels wel dat jongeren in 2025 iets negatiever zijn over zoenen tussen een jongen en een meisje, maar de verandering is veel groter wanneer het gaat om twee jongens of twee meisjes. Er lijkt dus wel degelijk iets specifieks aan de hand met homoseksualiteit.
Maar ik dacht vervolgens, laat ik eens breder kijken. Een ander recent Nederlands onderzoek vindt namelijk een pak minder aanwijzingen voor een algemene afname van de acceptatie en toont een belangrijke nuance. Jongeren blijven relatief positief wanneer het gaat om meer algemene principes zoals gelijkwaardigheid of de vrijheid om verliefd te worden op wie je wilt. De weerstand bij diezelfde jongeren neemt toe wanneer de vragen gaan over bijvoorbeeld gender, genderneutrale toiletten of Paarse Vrijdag.
Misschien zit daar een deel van de verklaring in. De voorbije jaren zijn homoseksualiteit, transgenderidentiteit, gender, seksuele vorming, regenboogvlaggen en evenementen zoals Paarse Vrijdag steeds meer samengevoegd in één maatschappelijk debat. Ook de auteurs van HBSC wijzen daarop. Daarnaast wijzen ze op publieke figuren die zich kritischer uitlaten over deze onderwerpen. Verder denken ze ook nog aan de mogelijke rol van sociale media en algoritmen bij de verspreiding daarvan.
Een mogelijke hypothese is daarom dat we niet alleen een afnemende tolerantie ten aanzien van homoseksualiteit meten. Misschien meten we deels ook een bredere backlash tegen wat jongeren mogelijk als één pakket van lhbtiq+- en genderthema’s zijn gaan beschouwen. Iemand kan vinden dat twee jongens probleemloos verliefd op elkaar mogen worden. Tegelijk kan diezelfde jongere weinig voelen voor Paarse Vrijdag, genderneutrale toiletten of de aandacht voor gender op school. Ik vind het een moeilijke. Maar als deze onderwerpen in het maatschappelijke debat steeds meer op één hoop worden gegooid, is het mogelijk dat de weerstand tegen het ene ook kan doorwerken in antwoorden op vragen over het andere.
Dat zou ook kunnen helpen verklaren waarom verschillende recente onderzoeken niet helemaal hetzelfde verhaal lijken te vertellen. Maar voorlopig is het vooral dat: een hypothese. De HBSC-data tonen overtuigend dat er op hun maat een forse terugval is, van 59,1 naar 36,5 procent, in de positieve houding in het voortgezet onderwijs tussen 2021 en 2025. De data tonen niet wat die terugval veroorzaakt.
Het zou dus te gemakkelijk zijn om te concluderen dat jongeren simpelweg “weer homofoob worden”. Maar ook het omgekeerde kunnen we niet besluiten. Dat er eigenlijk niets veranderd is en jongeren alleen “het gendergedoe beu zijn” (niet mijn woorden, maar woorden die ik wel bij jongeren hoorde!), weten we evenmin. De twee onderzoeken suggereren wel dat we misschien beter onderscheid moeten maken tussen de acceptatie van holebi’s zelf en de houding tegenover het bredere debat over lhbtiq+ en gender. Misschien lopen die twee minder gelijk dan we denken.