Andreas Schleicher – ja, die van de PISA-testen – schreef onlangs dat beroepsonderwijs “een fantastische toekomst” heeft. Dat is een opvallend hoopvolle boodschap van iemand die we meestal citeren als het gaat over dalende leesvaardigheid of wiskundescores. En eerlijk: ik deel zijn optimisme, al is het om iets andere redenen.
In zijn stuk voor OECD Education Today stelt Schleicher dat de wereld van werk ingrijpend verandert. Niet alleen door technologie, maar ook door de vergrijzing, de klimaattransitie en de verschuiving van vaste jobs naar kortere opdrachten en hybride rollen. En precies dat zou de motor zijn voor een nieuw soort beroepsonderwijs: flexibeler, nauwer verbonden met bedrijven, en gericht op het voortdurend bijleren.
Dat klinkt goed. Maar zoals vaker bij Schleicher, zit er onder die mooie zinnen ook een beleidslogica die je best even uit elkaar peutert.
De droom: beroepsonderwijs als brug
Schleicher ziet beroepsonderwijs als de brug tussen onderwijs en economie. Jongeren leren er “de skills die bedrijven écht nodig hebben”, terwijl volwassenen zich kunnen herscholen. Dat beeld past perfect in het huidige discours over skills for the future – de idee dat we vooral moeten opleiden voor wat de arbeidsmarkt morgen vraagt.
Maar dat is meteen ook het spanningsveld dat ik zie: onderwijs is meer dan arbeidsmarktvoorbereiding.
Goed beroepsonderwijs draait niet alleen om doen, maar ook om begrijpen waarom je iets doet. Zonder stevige kennisbasis, denk dan bijvoorbeeld over materialen, processen, economie, menselijk gedrag, wordt elke vaardigheid vluchtig. Kennis maakt vakmanschap duurzaam.
Wie alleen opleidt voor nu, leidt op voor vervanging. Technologie en sectoren veranderen sneller dan ooit. De echte meerwaarde van goed beroepsonderwijs ligt niet alleen in wat je leert, maar in hoe je leert denken, samenwerken en fouten oplossen. Dat zijn vaardigheden die al eeuwen meegaan en die niet verouderen zelfs als je vak dat wel doet.
De realiteit: systemen die te traag bewegen
Schleicher pleit voor meer samenwerking tussen scholen en bedrijven, met flexibele certificaten, gedeelde leertrajecten en voortdurende updates van curricula. Volledig terecht — maar dat is precies wat al twintig jaar lang het moeilijkst blijkt.
Veel scholen willen wel, maar botsen op logge regelgeving, versnipperde financiering en eindeloze goedkeuringsprocedures. En bedrijven? Die zijn niet altijd de ideale partner. Een goed leerbedrijf vraagt tijd, begeleiding en visie op leren — niet enkel een stagiair extra.
Het is makkelijk om te zeggen dat onderwijs “sneller” moet reageren op de markt. Maar laten we niet vergeten dat de arbeidsmarkt zelf vaak niet weet wat men over vijf jaar nodig heeft. Schleicher heeft gelijk dat beroepsonderwijs cruciaal is, maar zijn oplossingen klinken soms alsof landen vooral efficiënter, adaptiever en beter afgestemd op economische noden moeten worden. Terwijl goed onderwijs zelden efficiënter, wel menselijker moet worden
De kern: waardering, status en menselijkheid
Waar Schleicher helemaal gelijk in heeft: beroepsonderwijs verdient meer waardering.
In te veel landen, ook bij ons, blijft het de “tweede keuze”. Ouders willen liever dat hun kind “naar het ASO gaat” om even de oude naam te gebruiken, zelfs als dat niet past. We praten over “hoger onderwijs” alsof dat per definitie “beter onderwijs” is.
Dat is niet alleen oneerlijk, het is gewoon onhoudbaar. Want precies die opleidingen vormen mee de ruggengraat van elke samenleving: techniek, zorg, logistiek, bouw, onderhoud, energie. Daar zitten de tekorten, daar zit de innovatie, daar zit de toekomst.
Maar waardering los je niet op met slogans. Dat vraagt structurele investeringen: goede infrastructuur, sterke lesgevers, ruimte voor vakmanschap, tijd om te leren. En dat mag gerust wat kosten. Het betaalt zichzelf terug in veerkracht.
De toekomst is niet alleen “beroeps”
Wat ik mis bij Schleicher, is de nuance dat alle onderwijs beroepsonderwijs zou moeten zijn, in de zin dat het betekenisvol is, dat het voorbereidt op bijdragen aan de samenleving.
Het onderscheid tussen “algemeen” en “beroeps” is kunstmatig geworden.
De toekomst vraagt denkers die kunnen doen, en doeners die kunnen denken.
De loodgieter die weet hoe energiebeleid werkt, en de econoom die begrijpt hoe een pompinstallatie in elkaar zit.
Misschien is dát de echte toekomst van beroepsonderwijs — niet als aparte tak, maar als voorbeeld voor hoe leren en werken dichter bij elkaar kunnen liggen, zonder dat het een karikatuur van “arbeidsmarktrelevantie” wordt.
Dus ja, Schleicher heeft gelijk. En misschien toch ook niet.
Beroepsonderwijs heeft een fantastische toekomst, maar absoluut niet automatisch.
Niet omdat de OECD dat zegt, maar omdat de samenleving die toekomst nodig heeft.
En omdat er zoveel scholen, docenten en leerlingen zijn die die toekomst elke dag al vormgeven. En ze doen dit vandaag vaak tegen de stroom in.
De uitdaging is niet om beroepsonderwijs te “moderniseren”, maar om het eindelijk te waarderen voor wat het al is: het meest concrete, menselijke en toekomstgerichte deel van ons onderwijs.