Soms lees je een reviewstudie waarvan je denkt: dit verklaart ineens een heel deel van het internet. Dankzij deze longread van Steve Stewart Williams vond ik een review artikel gepubliceerd in Current Opinion in Psychology van Aleksandra Cichocka en collega’s over één van de meest robuuste voorspellers van complotdenken: narcisme. Denk daarbij niet niet de karikatuur van de grootprater die zichzelf overal vooraan duwt. Het gaat eerder over een veel complexere set van eigenschappen die verrassend precies samenvalt met de aantrekkingskracht van complottheorieën.
Het vertrekpunt is eenvoudig: klassieke persoonlijkheidskenmerken zoals de Big Five voorspellen complotdenken nauwelijks. Maar… zodra je kijkt naar hoe mensen zichzelf zien, wordt het interessanter. Narcisme blijkt dan een sterke voorspeller. Meta-analyses vinden correlaties rond .22 tot .26. Dit leek me zelf eerder beperkt, maar dit blijkt in dit onderzoeksveld behoorlijk hoog. En de reviewstudie laat ook zien waarom. Narcisme is niet één ding, maar bestaat uit drie onderliggende facetten:
- Agentic extraversie: het verlangen om bewonderd te worden en uniek te zijn.
- Antagonisme: de neiging om anderen te devalueren, te wantrouwen en te domineren.
- Neuroticisme in een specifieke narcistische vorm: gevoeligheid voor bedreiging, schaamte en dreiging.
Deze drie componenten werken op hun beurt via vier psychologische routes.
- De eerste is paranoia: de overtuiging dat anderen het op jou gemunt hebben. Die kan doorsijpelen in bredere vermoedens dat de samenleving wordt bedreigd. Vooral kwetsbaar en antagonistisch narcisme hangen samen met dat achterdochtige wereldbeeld.
- De tweede route is de behoefte aan controle en dominantie. Complotten bieden een duidelijke vijand, een scapegoat. Dat geeft houvast, zeker als mensen het gevoel hebben dat ze grip verliezen. Niet toevallig zien we dat ook bij andere donkere persoonlijkheidskenmerken zoals psychopathy en Machiavellianism.
- Een derde route loopt via uniciteit. Mensen die graag bewonderd worden, voelen zich aangetrokken tot theorieën die hen het idee geven dat zij iets weten wat de massa niet doorheeft. “I know things they don’t know” is bijna een perfecte samenvatting van hoe dat werkt.
- En tot slot is er iets wat je misschien niet meteen met narcisme associeert: goedgelovigheid. Hoewel narcisten vaak overconfident zijn, scoren ze lager op cognitieve reflectie. Sommigen herkennen onbetrouwbare informatie minder goed en vallen dus makkelijker voor bizarre of ongefundeerde beweringen. Vooral de antagonistische en neurotische kant van narcisme speelt daar een rol.
Interessant is dat dezelfde processen ook kunnen optreden op groepsniveau. Dit heet dan collectief narcisme, het idee dat je eigen groep uitzonderlijk is en speciale behandeling verdient. En dit voorspelt complotdenkpistes over andere groepen en zelfs antivaccinatie- en klimaatcomplotten. Groepsbedreiging wordt dan vertaald in vijandigheid tegenover externe schuldigen. Het mechanisme lijkt sterk op individueel narcisme, maar wordt makkelijker geactiveerd wanneer groepsidentiteit belangrijk of bedreigd is.
De auteurs sluiten af met een ongemakkelijke vaststelling: narcisme is oververtegenwoordigd bij politieke leiders. Combineer dat met periodes van onzekerheid of electorale druk en de kans dat politici zelf complotverhalen omarmen of verspreiden, stijgt. Dat is niet zonder risico, want complottheorieën hebben reële maatschappelijke gevolgen. Maar dezelfde mechanismen wijzen ook op kansen. Interventies die controlegevoel herstellen, of die de behoefte aan uniciteit op een andere manier kunnen invullen, zouden de band tussen narcisme en complotdenken kunnen verzwakken.
Tot slot stelt de review een belangrijke open vraag: zijn deze effecten uniek voor complottheorieën, of zijn narcisten gewoon gevoeliger voor sensationele, emotioneel beladen of foutieve informatie in het algemeen? Eerste studies suggereren dat het plot-element waarschijnlijk toch iets extra’s toevoegt, maar echt hard bewijs ontbreekt. Ook daar ligt een duidelijke agenda voor toekomstig onderzoek.
Het geheel is een rijk overzicht dat verklaart waarom complotideeën zo aantrekkelijk kunnen zijn voor bepaalde profielen. Niet omdat die mensen dom zijn, maar omdat specifieke psychologische behoeften samenkomen op een manier die complottheorieën precies lijken te voeden. Soms is wetenschap net een spiegel: geen comfortabele, maar wel een verhelderende.
Afbeelding: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Conspiracy_Theories_Fallacy_Icon.png