De voorbije jaren sprak ik verschillende mensen die bedenkingen hadden bij een soort van PISA voor kleuters. Met IELS 2025 krijgen we vandaag toch een eerste internationaal vergelijkbaar beeld van Vlaamse vijfjarigen. In tegenstelling tot PISA, dat ook door de OESO wordt georganiseerd, doen voorlopig slechts acht landen mee, waaronder Engeland en Nederland. Bovendien gaat het om een andere soort meting: geen klassieke toets, maar een speelse, individuele afname via een app. Dat maakt de vergelijking beperkter, maar niet minder interessant. Tot nu toe hadden we vooral fragmenten, kleinere studies en indirecte signalen. Dit is voor het eerst een bredere foto.
Eerst het goede nieuws, want dat is er ook. Vlaamse kleuters zitten op verschillende punten gemiddeld rond het internationale niveau. Op vlak van gedrag, executieve functies en sociaal-emotionele ontwikkeling zijn er geen grote alarmsignalen. De klas draait. Vlaamse vijfjarigen zijn uitzonderlijk goed in het herkennen van emoties bij anderen, beter dan andere kinderen. Maar er is ook minder goed nieuws, want voor vroege wiskunde als voor Nederlandse taalvaardigheden scoort Vlaanderen duidelijk onder het internationale gemiddelde. We doen het ook gemiddeld hier echt slechter dan vergelijkbare landen zoals Engeland. Maar zoals wel vaker: het gemiddelde vertelt niet het belangrijkste verhaal.
Dat zit namelijk in de spreiding. En nog meer in waar die spreiding zich bevindt. Dan blijkt Vlaanderen bij vijfjarigen vaak echt grote verschillen te zien naargelang de sociaal-economische achtergrond en thuistaal, met soms bijna 100 punten verschil. Een pak meer dan in de andere deelnemende landen.
Tegelijk zijn de verschillen tussen scholen relatief beperkt. Vlaanderen heeft geen systeem met sterk uiteenlopende kleuterscholen. Er is geen duidelijke scheiding tussen “topscholen” en “zwakke scholen” op dit niveau. Dat klinkt op het eerste gezicht als goed nieuws. Alleen betekent het tegelijk dat de verschillen elders zitten. Namelijk binnen scholen. Binnen klassen.
Dit ligt in lijn met eerder onderzoek van zowel UGent (recenter) als KU Leuven (ouder, dus het probleem gaat al een tijdje mee), maar de les is duidelijk én pijnlijk. Als verschillen vooral binnen dezelfde klas zitten, kan je ze niet zomaar toeschrijven aan schoolkeuze, organisatie of structuur. Het gaat hier dan niet over bijvoorbeeld wel of niet een brede eerste graad. Dan kom je onvermijdelijk uit bij wat er in die klas gebeurt, en bij wat kinderen meebrengen naar school als achtergrond. En besef: als verschillen op vijfjarige leeftijd al zo groot zijn, weten we uit ander onderzoek dat ze zelden vanzelf verdwijnen.
Dit is pijnlijk als je bedenkt dat Vlaanderen iets heeft wat veel andere systemen nog proberen te bereiken: bijna volledige deelname aan kleuteronderwijs. Het klassieke beleidsantwoord in veel landen is kinderen vroeger en vaker naar school laten gaan. Dat is hier grotendeels gerealiseerd. Daar zit dus niet meer de grote hefboom.
En dus verschuift de vraag. Niet: hoe krijgen we meer kinderen naar de kleuterklas? Maar wel: wat gebeurt er in die kleuterklas en voor wie?
Het rapport zelf blijft voorzichtig in het beantwoorden van die vraag. Het wijst op de rol van de thuisomgeving, op vroege ervaringen, op de kwaliteit van interacties. Terecht. Maar wie de verschillende elementen samenlegt, ziet ook een patroon dat minder expliciet benoemd wordt. Het heeft volgens mij deels te maken met hoe we in Vlaanderen historisch naar jonge kinderen kijken.
Het Vlaamse kleuteronderwijs vertrekt sterk vanuit een kindbeeld waarin spel, welbevinden, autonomie en brede ontwikkeling centraal staan. Dat is geen zwakte. Integendeel, het verklaart mee waarom gedrag en sociaal functioneren relatief goed zitten. De klas draait niet toevallig. Maar volgens mij heeft datzelfde kindbeeld ook een keerzijde.
Wanneer je sterk inzet op het volgen van het kind, op ontdekken, op impliciet leren, dan stuur je minder expliciet op wat niet vanzelf komt. En net daar zit een deel van het probleem. Het klopt: gras groeit niet door eraan te trekken, maar kinderen zijn geen gras. Als kinderen niet genoeg uitgedaagd en gestimuleerd worden, dan vergroot je de ongelijkheid die van thuis uit meekomt. In de resultaten zie je vooral dat bij taal. Niet alleen liggen de gemiddelde scores daar lager, maar net in dat domein zijn de verschillen het grootst.
Dat is geen toeval. Taal is geen bijkomende vaardigheid, maar een dragende. Ze bepaalt mee hoe kinderen instructies begrijpen, hoe ze redeneren, hoe ze verhalen opbouwen. Verschillen in taal werken door in andere domeinen. Als je die verschillen niet systematisch aanpakt, blijven ze bestaan.
En dat lijkt hier te gebeuren. Dat betekent niet dat het kleuteronderwijs ongelijkheid “veroorzaakt”. Daarvoor zijn de startverschillen te groot en spelen er te veel factoren buiten de school. Maar het betekent wel dat het onderwijs er niet in slaagt om die verschillen voldoende te verkleinen. En dat brengt ons bij de kern van het ongemak. We hebben in Vlaanderen veel geïnvesteerd in toegang. We hebben een sterke traditie uitgebouwd rond welbevinden en brede ontwikkeling. Maar we lijken minder sterk in het systematisch compenseren van verschillen. Niet omdat er niets gebeurt, maar omdat wat er gebeurt niet voor elk kind hetzelfde effect heeft. Dit alles is geen pleidooi tegen spel of brede ontwikkeling, maar wel een vraag naar hoe doelgericht die worden ingezet. Maar wat ook pijnlijk duidelijk wordt: landen met betere prestaties op taal en rekenen, scoren niet noodzakelijk slechter op het sociaal-emotionele.
Misschien is dat ook waarom het onderliggende kindbeeld vandaag onder druk staat. Niet omdat het fout is, maar omdat de context veranderd is. De vraag naar explicietere ondersteuning, naar doelgerichter werken, naar het versterken van basisvaardigheden wordt groter.