Testangst: een probleem dat we misschien verkeerd begrijpen

Ik leer zelf ook graag bij en dus sprak ik het voorbije weekend niet enkel op ResearchED NYC, maar volgde ik ook verschillende sessies. Ik wil even stilstaan bij het verhaal van Ben Lovett over testangst. We waren met een zeer klein publiek voor hem, wat me verbaasde. Het onderwerp ervaar ik als zeer actueel en de man wist duidelijk waarover hij sprak. Een klein verslagje van zijn presentatie.

Want wie met leraren praat, zal er op botsen. Wie naar leerlingen luistert, nog sneller. En ook de cijfers liegen niet: een grote groep jongeren ervaart examens als iets wat minstens “soms” tot “vaak” gepaard gaat met nervositeit, piekeren en lichamelijke spanning . Dat sluit mooi aan bij het bredere verhaal over een “anxious generation”. Maar zoals Lovett het bracht, werd vooral duidelijk dat we één cruciale stap te snel zetten. We zien angst, en we concluderen: dus slechtere prestaties.

Alleen… dat blijkt niet echt te kloppen. Een van de centrale vragen in zijn lezing was opvallend eenvoudig: zou dezelfde leerling beter presteren als hij minder angstig was? Het antwoord dat hij gaf, gebaseerd op ruim onderzoek, was minstens genuanceerd. Vaak blijkt dat namelijk gewoon niet het geval .

Ja, er is een negatieve samenhang tussen testangst en prestaties. Maar die is klein. En belangrijker: zodra je rekening houdt met verschillen in kennis en vaardigheden, verdwijnt dat verband grotendeels. Leerlingen doen vaak ongeveer hetzelfde op toetsen met lage inzet als op toetsen met hoge inzet.

Dit verbaasde me zelf eerlijk gezegd, want het is geen makkelijke conclusie. Het betekent namelijk dat een deel van onze verklaring eigenlijk een misinterpretatie is. We zien dat zwakkere leerlingen vaker angst rapporteren, en draaien de pijl om. Terwijl het net zo goed kan zijn dat de lagere vaardigheid de angst mee verklaart, en niet omgekeerd. Lovett maakte het nog scherper door te zeggen: ga er niet zomaar van uit dat een leerling die testangst rapporteert, daardoor slechter presteert.

Maar daarmee is het verhaal niet gedaan. Integendeel. Waar zijn lezing echt interessant werd, was in de vraag: als testangst de prestaties niet rechtstreeks onderuit haalt, waar zit het effect dan wel? Het antwoord volgens Lovett: in gedrag.

Leerlingen met meer testangst gaan anders studeren. Ze stellen vaker uit. Ze kiezen sneller voor oppervlakkige strategieën zoals herlezen of samenvattingen bekijken. En ze vermijden net die activiteiten die het meeste effect hebben, zoals oefenen met vragen of problemen oplossen. In onderzoek naar wiskunde-angst zie je bijvoorbeeld dat studenten minder tijd besteden aan het maken van oefenopgaven en meer aan het bekijken van uitgewerkte voorbeelden .

Met andere woorden, de impact van testangst zit niet zozeer in het moment van de toets, maar in het traject ernaartoe. En dat heeft gevolgen voor wat we doen in scholen.

Een eerste reflex is vaak om de angst zelf te willen wegwerken. Ademhalingsoefeningen, ontspanningstechnieken, misschien zelfs extra tijd of aparte ruimtes. Lovett was daar opvallend voorzichtig in. Niet omdat die dingen nooit werken, maar omdat ze het risico hebben om iets anders te versterken: vermijding. Ik moest direct denken aan het programma van Philippe Geubels over angst en hoe daarmee om te gaan. Vermijden was daar nooit de beste optie.

Dat idee van een angst-vermijdingscyclus kwam meerdere keren terug. Hoe meer je situaties ontwijkt die spanning oproepen, hoe minder kans je krijgt om te ervaren dat je ermee kan omgaan. En dus blijft de angst bestaan, of wordt ze zelfs sterker. Dat maakt het verhaal een pak minder comfortabel. Want het betekent dat goedbedoelde aanpassingen soms het probleem in stand houden. Iets wat ook vaak in zijn presentatie terugkwam. Vaak houdt wat we doen op school tegen testangst, net die testangst in stand.

Wat werkt dan wel? Opnieuw verrassend weinig spectaculair. Goed onderwijs. Het lijkt wel een rooie draad de laatste tijd. Denk dan aan toetsen die helder zijn opgesteld, met duidelijke verwachtingen. Voorbeelden van vragen zodat leerlingen weten wat er komt. En vooral: studeren op een manier die lijkt op de toets zelf. Oefenen met ophalen van kennis, vragen beantwoorden zonder boek, regelmatig kleine toetsen die studeren spreiden. Ik bracht zelf in de sessie constructive alignment aan, iets waar Lovett minder mee vertrouwd was.

En dit alles niet omdat ditt “de angst zou oplossen”, maar omdat het leerlingen beter voorbereidt. En die voorbereiding blijkt robuuster, zelfs onder stress.

Er zat nog een ander, iets pijnlijker stukje in de lezing. Niet alleen leerlingen hebben testangst. Ouders ook. Er bestaat zelfs een schaal die meet in welke mate ouders gespannen zijn op examendagen, zich zorgen maken over fouten, of lichamelijke stress ervaren rond de toetsen van hun kind .Die spanning blijft zelden zonder effect.

Wat scholen en ouders volgens Lovett kunnen doen, is niet doen alsof toetsen er niet toe doen. Maar wel normaliseren dat spanning erbij hoort, en tegelijk duidelijk maken dat die spanning niet betekent dat je slechter zal presteren.

Concreet: Testangst is echt. Ze is wijdverspreid. En ze verdient aandacht. Maar ze is niet het eenvoudige mechanisme dat we er soms van maken. Ze ondermijnt prestaties niet automatisch. Ze werkt indirect, via gedrag, via voorbereiding, via verwachtingen.

Geef een reactie