Kleinere scholen: oplossing of te simpel? Wat nieuw onderzoek toont

Ik heb het al vaker gehad in lezingen en boeken over schoolgrootte. Over hoe sommige studies suggereren dat er zoiets bestaat als een optimale vork. Niet te groot, want anonimiteit ligt op de loer. Niet te klein, want dan wordt het moeilijk om als team te professionaliseren, expertise te delen en een stevig curriculum te dragen.

En dan maak ik meestal één uitzondering. De kleine secundaire scholen in New York.

Die case is interessant omdat ze niet zomaar “kleiner” zijn, maar het resultaat van een bewuste hervorming waarbij grote, zwakke scholen werden opgesplitst in kleinere, thematische scholen met een duidelijke focus op relaties, relevantie en academische verwachtingen. En nog interessanter: die scholen zijn al langer het onderwerp van degelijk onderzoek.

Er is nu nieuw langetermijnonderzoek dat daar nog een laag bovenop legt. En niet zomaar onderzoek. Het gaat om een studie die gebruikmaakt van loterijtoewijzing bij inschrijvingen. Leerlingen die ingeloot worden in zo’n small school worden vergeleken met leerlingen die net niet ingeloot worden. Methodologisch zit je dan dicht bij een experiment, wat in het onderwijs altijd moeilijk is, zeker voor dergelijke onderwerpen.

Wat blijkt?

Leerlingen die naar zo’n kleine school gaan, hebben een duidelijk grotere kans om af te studeren en om door te stromen naar het hoger onderwijs. Het effect op instroom in het hoger onderwijs bedraagt ongeveer 9,5 procentpunten. Ook op het behalen van een bachelordiploma is er een positief effect, al is dat een pak kleiner, zo’n 2 à 3 procentpunten. Dat zijn geen spectaculaire cijfers, maar in onderwijsonderzoek zijn dit wel degelijk betekenisvolle effecten. Zeker omdat ze jaar na jaar terugkomen en zonder extra kosten per afgestudeerde.

Maar het verhaal stopt daar niet. Men onderzocht namelijk nog meer. Wie hoopt op een duidelijk effect op de arbeidsmarkt komt voorlopig bedrogen uit. Er zijn geen significante verschillen in tewerkstelling of inkomen in de eerste jaren na het secundair onderwijs. Dat kan betekenen dat het effect er niet is. Maar evengoed dat het nog te vroeg is. Veel van deze jongeren zitten nog in het hoger onderwijs, en we weten dat de echte loonverschillen pas later zichtbaar worden.

Er is nog iets dat opvalt. De effecten zijn niet voor alle leerlingen even groot. Leerlingen die al sterker stonden bij de start, bijvoorbeeld op het vlak van wiskunde, lijken meer te profiteren van deze scholen dan leerlingen die zwakker starten. Dat is geen detail. Het herinnert ons eraan dat zelfs goed werkende interventies ongelijkheid kunnen vergroten. Ik herinner me het onderzoek van Dietrichson en collega’s, waaruit bleek dat ongeveer alles wat we doen in onderwijs de ongelijkheid vergroot.

Wat betekent dit nu voor het debat over schoolgrootte? De verleiding is groot om te zeggen: zie je wel, kleiner werkt. Maar dat zou te simpel zijn. Wat deze studie vooral toont, is dat “klein” op zich geen wondermiddel is. Wat hier werkt, zijn de condities die kleinere scholen mogelijk maken: sterkere relaties tussen leraren en leerlingen, meer coherentie in verwachtingen en een duidelijke focus op academische kwaliteit. Die condities kan je makkelijker organiseren in een kleinere setting. Maar dat betekent niet dat ze onmogelijk zijn in grotere scholen. Het betekent wel dat je ze daar explicieter moet organiseren.

En dat brengt ons terug bij die “optimale vork”. Misschien moeten we die minder letterlijk nemen als een kwestie van aantallen leerlingen en meer als een ontwerpvraag. Wanneer is een school klein genoeg om gezien te worden en groot genoeg om kwaliteit te dragen?

De kleine scholen in New York tonen dat het kan. Maar ze tonen ook iets anders. Dat succes zelden zit in één zichtbaar kenmerk. Maar dat geldt voor bijna alles in het onderwijs. Het kopiëren van de vorm is makkelijk. Het ontwerp begrijpen is het echte werk.

Een gedachte over “Kleinere scholen: oplossing of te simpel? Wat nieuw onderzoek toont

  1. Ik hou wel van het zinnetje ‘er is een dorp (geen grootstad) nodig om een kind groot te krijgen’. Een school is misschien wel als een dorp. Als alle leraren ongeveer alle kinderen min of meer kennen, is het gemakkelijker om hen aan te spreken en om allemaal aan hetzelfde zeil te trekken.
    Grote scholen worden vaak verantwoord vanuit economische efficiëntie. Jammer dat we onderwijskundige en pedagogische argumenten hier vaak geen rol spelen.

Geef een reactie