AI-moe

Volgens het nieuwe imec-rapport gebruiken steeds meer mensen artificiële intelligentie. Dat zal niemand verbazen. LLM’s zoals ChatGPT, Copilot, Gemini of Claude zijn als tools in korte tijd onderdeel geworden van het dagelijkse digitale landschap. Studenten gebruiken het. Leraren gebruiken het. Beleidsmakers gebruiken het. En wie het niet gebruikt, voelt soms zelfs een lichte sociale druk om toch maar eens te beginnen.

Ik gebruik het zelf ook. Regelmatig zelfs. Maar eerlijk gezegd: ik ben AI stilaan een beetje beu. Laat me uitleggen waarom.

Niet omdat het niet nuttig kan zijn. Integendeel. AI kan soms echt helpen. Het kan een handig hulpmiddel zijn, in mijn geval bijvoorbeeld om mensen deze blog makkelijker te laten vinden via SEO.

Tegelijk merk ik dat mijn irritaties stilaan beginnen op te stapelen.

Het eerste probleem is herkenbaarheid. Wie veel AI-gegenereerde teksten leest, begint ze vrij snel te herkennen. De zinnen hebben vaak dezelfde cadans met alinea’s die een voorspelbaar patroon volgen. Hierbij lijkt de nuance aanwezig, maar voelt het vaak alsof alles uit een soort standaardbibliotheek komt. Ik lees graag en vaak muziekwebsites of hou info bij over populaire cultuur. En ja, daar wordt volgens mij AI duidelijk veel gebruikt.

Het tweede probleem zijn de kleine gewoontes die zich eindeloos herhalen. Bijna elk antwoord eindigt met een nieuwe vraag of, recenter, vaker bij vragen, een cliffhanger. “Wil je dat ik ook nog dit doe?” “Zal ik dat verder uitwerken?” “Wist je dat…” Op zich logisch. Maar na de zoveelste keer voelt het een beetje alsof je in een gesprek zit met iemand die voortdurend probeert het gesprek gaande te houden. Het verschil tussen vrienden en AI: vrienden weten wanneer ze beter zwijgen. Oh, en vrienden praten je niet steeds naar de mond.

En dan is er nog het laatste punt: de fouten. Ik gebruik bewust even niet het woord hallucinaties, maar gewoon wat het echt zijn.

AI kan indrukwekkend goed formuleren, maar dat betekent niet dat de inhoud altijd klopt. Regelmatig rammelt er iets. Een bron die niet bestaat. Een redenering die net niet klopt. Een studie die verkeerd wordt weergegeven. Voor wie het onderwerp goed kent, springen die fouten er soms meteen uit. Voor wie dat niet doet, zijn ze veel moeilijker te herkennen. Het is een test die ik regelmatig doe: ik vraag AI iets over een thema of boek dat ik goed ken. En dan valt Grok, ChatGPT,… te vaak door de mand. Ik vermoed dat het niet toevallig enkel het geval is bij net die zaken die ik dan zo check. En voor iedereen die zegt: het wordt steeds beter. Dat is eerlijk gezegd niet mijn persoonlijke ervaring.

Ik vermoed dat dit voor een deel de kern is van mijn AI-vermoeidheid.

AI werkt het best voor mensen die het eigenlijk niet echt nodig hebben. Wie voldoende voorkennis heeft, kan de fouten eruit halen en het nuttige behouden. Wie die voorkennis niet heeft, loopt een groter risico om het resultaat gewoon te vertrouwen. En tegelijk zullen zij het misschien het vaakst gaan gebruiken.

Dat betekent niet dat AI verdwijnt. Net zoals zoekmachines niet verdwenen toen bleek dat de eerste resultaten soms fout of misleidend waren. Maar het betekent wel dat de eerste fase van onvoorwaardelijke fascinatie stilaan plaatsmaakt voor iets anders. Gewenning. En in mijn geval dus ook een beetje irritatie.

Misschien is dat trouwens een goed teken. Nieuwe technologieën beginnen vaak met hype, gevolgd door een periode waarin we hun beperkingen beginnen te zien. Pas daarna ontstaat er een realistischer gebruik.

Geef een reactie