Inclusie in oorlogstijd: wat als zwijgen de beste strategie lijkt?

Ik lees veel onderzoek. Door persoonlijke omstandigheden zelfs nog iets meer dan gewoonlijk. En terwijl ik veel lees dat vooral lijkt te bevestigen wat we al weten of er een zekere nuance aan toevoegt, stoot ik soms op een onderzoek waarvan ik denk: hier stond ik nog nooit bij stil. De titel van deze studie van Idit Fast en collega’s zette me direct aan tot een heleboel gedachten: “Challenges to inclusive teaching during war“. Spontaan dacht ik: is inclusie een luxe als je moet vrezen voor je leven? Maar het onderzoek bracht me tot heel andere inzichten dan ik verwacht had op basis van de titel.

We denken vaak dat goed onderwijs betekent dat je verschillen erkent. Dat je ruimte geeft aan identiteit. Dat je benoemt wat er leeft in de klas. Zeker als het gaat over leerlingen die zich in een kwetsbare of gemarginaliseerde positie bevinden. Dat is ook wat veel literatuur over inclusie zegt. Maar wat als de context van oorlog dat bijna onmogelijk maakt?

In deze studie kijken de onderzoekers naar een middelbare school in Israël tijdens de oorlog in Gaza, waar Joodse en Palestijnse leerlingen samen les volgen. We klagen soms over moeilijke omstandigheden in het onderwijs, maar geef toe: dit is geen eenvoudige context. Leerlingen komen binnen met emoties, verlies, woede, angst. De lesgevers trouwens ook.

En wat doe je dan als leerkracht? Niet wat je misschien verwacht. Ze vermijden het onderwerp. Ze benoemen verschillen niet expliciet. In feite proberen ze vooral conflicten te dempen, gesprekken af te kappen, discussies klein te houden. “Keeping the fire down”, zoals één van hen het zegt. De schoolleiding stuurt daar ook expliciet op aan: hou het rustig, hou het binnen de klas, maak er geen groter thema van.

Vanuit een klassiek inclusiekader voelt dat ongemakkelijk. Inclusie gaat toch net over erkenning? Over het zichtbaar maken van verschillen? Over ruimte geven aan verhalen en identiteiten? En toch. Die stilte is niet zomaar onkunde of onwil. Ze is functioneel. Ze helpt om escalatie te vermijden. Deze stilte maakt het mogelijk dat leerlingen überhaupt samen in één klas blijven zitten. In een context waar spanningen elk moment kunnen ontploffen, wordt rust een doel op zich.

Maar tegelijk heeft die keuze een prijs. Door niet te benoemen wat er speelt, ontstaat er ook een vorm van institutionele stilte. De aanwezigheid van Palestijnse leerlingen wordt nauwelijks erkend als groep. Hun ervaringen blijven onder de radar. Problemen worden individueel opgelost, achter gesloten deuren of gewoon genegeerd. Dat kan hun welbevinden schaden en maakt ongelijkheid minder zichtbaar .

We denken vaak dat goed onderwijs betekent dat je moeilijke verschillen benoemt. Maar wat als de realiteit soms vraagt om ze net niet te benoemen? Laat ons eerlijk zijn: dit is allesbehalve een comfortabele conclusie. Het schuurt met veel van wat we denken te weten over inclusie, diversiteit en gelijke kansen.

Maar we moeten beseffen dat onderwijs zelden of nooit draait om één principe dat altijd en overal geldt. Het gaat bijna altijd over afwegingen. Over keuzes tussen doelen die elk op zich verdedigbaar zijn, maar niet altijd samen kunnen. Inclusie is belangrijk. Maar ook kwetsbaar. Zeker in contexten waar verschillen niet alleen diversiteit betekenen, maar ook conflict. En dan is de vraag niet alleen: wat werkt? Maar ook: wat kost het?

Een gedachte over “Inclusie in oorlogstijd: wat als zwijgen de beste strategie lijkt?

  1. Wat daar gebeurt is opmerkelijk.
    1. Dat verschillen niet benoemd worden, dat lijkt me redelijk onvermijdelijk want dan gaat men twee ideologieën moeten erkennen die mekaar gewoon het licht van de zon niet gunnen. Het joodse religieus-nationalisme erkent de rechten van de niet-Joden totaal niet en domineert de Joodse kant, en langs de Arabische kant aanvaarden de islamisten het bestaan van Israêl niet en zouden alle niet-moslims (ook de niet-Joodse!) genoegen moeten nemen met een tweederangsstatuut – op zijn best. Langs Arabische kant is er zelfs geen enkele stroming met enige aanhang die daartegenin gaat.
    2. Tegelijk suggereert die klaspraktijk wel dat er menselijk vlak iets nog wel lukt (in zekere mate dan toch) dat politiek en filosofisch totaal niet meer lukt, nl. een vreedzaam dagelijks samenleven waarbij elke leerling gelijke rechten heeft (in de klas toch nog) en conflicten niet met geweld beantwoord worden. Net de twee fundamentele kenmerken van democratie!
    Misschien dus iets meer hoopgevend dan wat we initieel zouden kunnen verwachten?

Geef een reactie