Een infographic over constructivisme die af en toe de bal misslaat

Via LinkedIn vond ik deze infografiek. Interessanter dan het constructivisme zelf aan te vallen, lijkt het me om even te kijken naar wat deze afbeelding eigenlijk over constructivisme vertelt.

Het eerste probleem zit al in het woord constructivisme zelf. In de afbeelding wordt het voorgesteld als één leertheorie. Maar constructivisme is oorspronkelijk een theorie over kennis (bestaat er wel zoiets als de waarheid) met uitlopers voor onderwijs in een brede familie van ideeën over leren. De kern ervan is dat mensen kennis niet gewoon opslaan zoals informatie op een harde schijf. Ze geven betekenis aan nieuwe informatie vanuit wat ze al weten, wat ze ervaren, wat ze denken te begrijpen en hoe ze met anderen in interactie gaan. Wie nu denkt: he, dat sluit opvallend aan bij wat John Sweller zegt. Ja.

Dat basisidee is vandaag nauwelijks controversieel. Natuurlijk speelt voorkennis een rol. Natuurlijk moeten leerlingen actief mentaal verwerken wat ze leren. En natuurlijk is begrijpen iets anders dan woorden kunnen herhalen. In die zin is bijna iedereen in het onderwijs vandaag een beetje constructivist.  Maar daar begint ook de verwarring. Uit het feit dat leerlingen kennis construeren, volgt niet automatisch dat ze die kennis vooral zelf moeten ontdekken.

Dat onderscheid is cruciaal. Constructivisme als beschrijving van leren zegt iets over wat er in het hoofd van de lerende gebeurt. Het zegt niet vanzelf hoe een leraar moet lesgeven. Ook bij een sterke, expliciete instructie moet de leerling nog altijd zelf betekenis geven aan wat wordt uitgelegd. Ook dan wordt kennis geconstrueerd. Het verschil zit dus niet tussen “passief ontvangen” en “actief bouwen”, maar tussen verschillende vormen van begeleiding tijdens dat bouwen.

Precies daar loopt de infographic uit de bocht. Ze schuift bijna ongemerkt van een leertheorie naar een didactische voorkeur. Learner-centred approach, active learning, collaborative learning, problem-based learning, self-directed learning: het zijn allemaal termen die voor sommigen positief klinken, maar ze worden voorgesteld alsof ze rechtstreeks uit constructivisme volgen. We denken dit vaak, maar het is niet per se zo.

Soms is probleemgestuurd leren zinvol. Soms helpt samenwerking. En soms kan zelfsturing belangrijk zijn. Maar vooral bij beginnende leerlingen, moeilijke leerstof of weinig voorkennis is sterke begeleiding vaak nodig. Kirschner, Sweller en Clark (2006) maakten precies dat punt in hun bekende artikel over minimale begeleiding: het probleem is niet dat leerlingen actief leren, maar dat ze bij te weinig ondersteuning cognitief kunnen verdwalen. Mayer (2004) kwam in zijn overzicht over discovery learning tot een vergelijkbare conclusie: niet pure ontdekking, maar begeleide ontdekking is meestal de betere kandidaat.

Daarom is de zin “learners actively construct their own knowledge” niet fout, maar wel gevaarlijk wanneer ze wordt gelezen als: “dus moet de leraar vooral niet te veel uitleggen.” Dat laatste is geen logisch gevolg van het eerste.

Ook de historische voorstelling is slordig. Piaget en Vygotsky worden in de afbeelding gepresenteerd als “major constructivist thinkers”. Dat is niet helemaal fout, maar het suggereert meer samenhang dan er eigenlijk was en ik zou ze eerder inspiratiebronnen noemen.

Piaget was eerst en vooral een ontwikkelingspsycholoog. Hij onderzocht hoe kinderen denken en hoe hun denken verandert. Hij is belangrijk voor het idee dat kinderen actieve betekenisgevers zijn, maar hij was niet de bedenker van een kant-en-klare constructivistische onderwijsmethode.

Vygotsky legde dan weer veel sterker de nadruk op taal, cultuur, sociale interactie en ondersteuning door anderen. Zijn werk wordt vaak verbonden met sociaal constructivisme, maar ook hier geldt: Vygotsky heeft geen eenvoudige posterklare didactiek ontworpen.

Trouwens, meestal spreken we vandaag over sociaal-constructivisme. Iets waar Piaget nauwelijks bij zou passen, Vygotksy iets meer. Want Piaget en Vygotsky verschillen net op belangrijke punten. Piaget wordt vaak geassocieerd met individuele cognitieve ontwikkeling; Vygotsky met sociaal-culturele bemiddeling. Hen samen onder één nette vlag plaatsen is handig voor een infographic, maar historisch nogal gladgestreken.

Bruner past misschien nog het best in het rijtje wanneer het over onderwijs gaat, omdat hij explicieter schreef over discovery learning en onderwijsontwerp. Zijn artikel “The Act of Discovery” uit 1961 is daarin invloedrijk geweest. Maar ook hier geldt dat latere discussies veel genuanceerder zijn dan de slogan “laat leerlingen ontdekken” suggereert. Bruner wordt trouwens sterk geassocieerd met het idee van scaffolding. Iets wat tegenstanders van constructivisme soms niet beseffen. Voorstanders ook niet trouwens.

Een ander probleem is dat verschillende begrippen door elkaar lopen. Constructivisme, sociaal constructivisme, discovery learning, problem-based learning, experiential learning, collaborative learning en self-directed learning worden behandeld alsof ze bijna hetzelfde zijn. Dat zijn ze niet.

Je kunt bijvoorbeeld perfect constructivistisch denken over leren en toch expliciete instructie verdedigen. Al komt dit mijns inziens te weinig voor. Je kunt samenwerking belangrijk vinden, maar tegelijk erkennen dat groepswerk ook kan mislukken door ongelijke deelname, misvattingen die elkaar versterken of een gebrek aan structuur. Je kunt ervaring belangrijk vinden, maar tegelijk weten dat ervaring zonder feedback niet vanzelf tot inzicht leidt.

Dat is misschien de grootste zwakte van de afbeelding: ze toont alleen de aantrekkelijke kant van een reeks onderwijsbegrippen. Ze toont niet de voorwaarden waaronder ze werken.

Neem “active learning”. Dat klinkt vanzelfsprekend goed. Maar actief leren betekent niet noodzakelijk dat leerlingen veel bewegen, praten of zelf op onderzoek gaan. De belangrijkste activiteit is cognitief: denken, verbinden, oefenen, ophalen, vergelijken, verklaren. Een leerling kan uiterlijk heel actief zijn en weinig leren. Een leerling kan uiterlijk stil luisteren en cognitief hard werken.

Of neem “teacher as facilitator”. Ook dat klinkt vriendelijker dan “teacher as instructor”. Maar goede leraren zijn niet enkel begeleiders. Ze leggen uit, modelleren, controleren voor begrip, geven feedback, structureren, sturen bij, stellen vragen, kiezen voorbeelden en bouwen moeilijkheid geleidelijk op. Facilitator is dus te smal als algemene beschrijving van goed leraarschap.

Wat klopt er dan wel aan de infographic? Wel wat, als je ze voorzichtig leest. Het klopt dat voorkennis ertoe doet. Ook is het correct dat leerlingen betekenis moeten geven aan nieuwe informatie. Het klopt dat interactie met anderen leren kan ondersteunen. Het klopt dat authentieke contexten soms helpen om kennis betekenisvoller te maken. En ja, het klopt dat reflectie en kritisch denken belangrijke doelen kunnen zijn. En het klopt dat leren meer is dan informatie doorgeven.

Maar wat niet klopt, is de impliciete boodschap dat deze punten samen automatisch leiden tot een bepaalde progressieve didactiek waarin uitleg, instructie en sturing naar de achtergrond verdwijnen.

De betere samenvatting zou zijn: Leerlingen construeren kennis, maar ze doen dat vaak beter wanneer leraren die constructie zorgvuldig ondersteunen.

Een gedachte over “Een infographic over constructivisme die af en toe de bal misslaat

  1. De kern ervan is dat mensen kennis niet gewoon opslaan zoals informatie op een harde schijf. Ze geven betekenis aan nieuwe informatie vanuit wat ze al weten, wat ze ervaren, wat ze denken te begrijpen en hoe ze met anderen in interactie gaan.

    Dit is puur cognitief psychologie!

Geef een reactie