Deze week was er een uitzending van Pano over kinderen die niet meer naar school kunnen gaan. Normaal gesproken zou je dan een post kunnen verwachten op deze blog. Maar… ik schreef er geen. Nochtans ben ik lid van de raad van bestuur van Bednet, dat ook vermeld wordt in de uitzending. Bednet reageerde zelf wel met een blog.
Waarom? Soms is een probleem zo complex, dat ik er niet vlug vlug een mening over heb of kan schrijven. Toen ik vrijdag deze post van Dirk Van Damme las op LinkedIn, kon ik hem heel goed begrijpen.
Wat hij schrijft, raakt voor mij een kernprobleem dat ik onderschrijf. We spreken over “kinderen die niet meer naar school gaan” alsof dat één fenomeen is. Alsof er één oorzaak is en dus ook één oplossing. Maar dat klopt niet.
Achter die ene noemer zitten heel verschillende verhalen. Jongeren met ernstige mentale gezondheidsproblemen. Leerlingen die vastlopen in het systeem en nergens nog aansluiting vinden. Chronische ziekte. Conflicten met school. Wachttijden in de jeugdhulp. En ja, soms ook situaties waarin school en ouders elkaar niet meer vinden.
Dat maakt het lastig. Niet alleen om oplossingen te formuleren, maar zelfs om het probleem scherp te krijgen. Want wat bedoelen we precies als we zeggen dat een kind “niet meer naar school kan”? Gaat het over tijdelijk uitvallen? Over structureel afhaken? Over niet kunnen, niet willen, of ergens daartussenin?
En vooral: wie draagt hier verantwoordelijkheid? De reflex na zo’n reportage is vaak om snel een schuldige aan te wijzen. Het onderwijs. De ouders. De jeugdhulp. De overheid. Maar in de meeste gevallen is het net de combinatie die ervoor zorgt dat jongeren tussen de mazen van het net vallen.
Dat is geen comfortabele boodschap. Want het betekent dat er ook geen snelle oplossing is die ik even in een blogpost kan neerpennen. Dat wil niet zeggen dat er niets werkt. Initiatieven zoals bijvoorbeeld Bednet tonen dat je voor een deel van deze kinderen wél verschil kan maken. Maar tegelijk tonen ze ook de grenzen: wat werkt voor langdurig zieke leerlingen, werkt niet automatisch voor jongeren met zware schoolangst of complexe thuissituaties.
Hoe dikwijls ik de voorbije dagen gelezen en gehoord heb dat het een systeemprobleem is. Maar wat bedoelen we daar eigenlijk mee? Het onderwijs als systeem? De jeugdhulp? De samenleving? En als we het daarover eens zijn: waar zit het probleem dan precies? Zijn wachtlijsten, werkdruk, maar ook over- en onderdiagnostisering deel van dat systeem? Of zijn het signalen dat het ergens fout loopt?
Misschien is dat onderscheid minder onschuldig dan het lijkt. Want als we het “het systeem” noemen, klinkt het snel alsof het iets abstracts is. Iets waar niemand echt vat op heeft. Terwijl die wachtlijsten heel concreet zijn. Net als die werkdruk. Net als de keuzes rond diagnose en ondersteuning. Het zijn allemaal geen losse fenomenen. Ze hangen samen. Maar ze kunnen ook in verschillende richtingen wijzen.
Wachtlijsten zeggen iets over capaciteit en organisatie. Werkdruk zegt iets over verwachtingen en grenzen. Diagnoses zeggen iets over hoe we proberen problemen te begrijpen en te verdelen. En ik nam er nu deze drie uit als voorbeeld, maar kan er nog wel een pak vernoemen, waaronder de voor mij persoonlijk moeilijkste: hoe aandacht soms ook het probleem kan vergroten.
Niet omdat aandacht verkeerd is. Integendeel. Het is goed dat we dit zien, benoemen en er verontwaardigd over zijn. Maar aandacht doet ook iets. Aandacht maakt zichtbaar, maar ze maakt de problemen soms ook groter. Aandacht trekt dan meer casussen naar boven, verlaagt drempels om hulp te zoeken, verandert verwachtingen. Dat is op zich geen probleem. Tot het botst met een realiteit die niet even snel meebeweegt.
Meer aandacht leidt tot meer vraag. Meer vraag legt meer druk op systemen die al onder druk staan. En voor je het weet, lijkt het alsof alles erger wordt, terwijl er tegelijk ook meer gezien en benoemd wordt. Dat maakt het debat moeilijk. Want wat is hier vooruitgang en wat is achteruitgang?
Het eerlijke antwoord is waarschijnlijk: een beetje van alles. En net dat is het probleem. Want zodra we het zo breed maken, wordt het ook vaag. Dan is iedereen betrokken, maar niemand echt verantwoordelijk. Dan klinkt het ernstig, maar het helpt ons weinig vooruit. Misschien zit daar ook de valkuil van het woord “systeemprobleem”. Het klinkt alsof er ergens één knop is waar we aan kunnen draaien.
Maar die knop is er niet. Wat er wel is, zijn heel concrete knelpunten. Onder andere overgangen die niet soepel werken. Wachttijden die te lang zijn. Verwachtingen die niet matchen met wat mogelijk is. En misschien begint vooruitgang niet bij het benoemen van “het systeem”, maar bij het verbeteren van die plekken waar het vandaag misloopt. Maar ik kan ook mis zijn. Want eerlijk, ik weet het vaak ook niet. En zo schreef ik toch een blogpost. Geen die het probleem oplost. Maar misschien wel één die duidelijk maakt waarom dat zo moeilijk is.