Turnles begint voor veel kinderen in hun schoolloopbaan als een van de leukste momenten van de week, behalve als je Pedro De Bruyckere heet. Even bewegen, spelen, lachen met klasgenoten. In de lagere school overheerst deze beleving dan ook. Plezier, variatie, samen iets doen. Niet toevallig: er is minder nadruk op presteren en meer ruimte om gewoon mee te doen.
Maar ergens onderweg de schoolcarrière verandert dat. Een recente Spaanse studie van Gonzalo Flores-Aguilar en collega’s, waarin toekomstige leerkrachten terugkijken op hun eigen ervaringen met lichamelijke opvoeding, maakt die verschuiving opvallend zichtbaar. In de lagere school domineren positieve emoties zoals plezier. In het secundair verschuift dat naar iets anders: meer angst, meer frustratie, meer schaamte.
Ik vermoed dat dit herkenbaar klinkt. Maar wat deze studie interessant maakt, is dat ze niet blijft hangen in “leerlingen vinden LO soms niet leuk”. Ze legt bloot waar die verschuiving vandaan komt. Niet één oorzaak, maar een patroon van terugkerende keuzes.
Denk aan evaluatie. Waar het in de lagere school vaak nog gaat over meedoen en proberen, komt er later meer nadruk op testen en vergelijken. Fysieke proeven, cijfers, normen. Voor sommige leerlingen werkt dat motiverend. Voor anderen vooral niet.
Of neem hoe groepen worden gevormd. Het klassieke kiezen van teams lijkt banaal, maar is dat niet. Wie eerst gekozen wordt en wie als laatste overblijft, leert iets. Over zichzelf, over anderen, over wat telt. Gelukkig weet ik dat deze vorm steeds minder gekozen wordt.
En dan is er nog iets wat minder expliciet benoemd wordt, maar wel sterk aanwezig is: zichtbaarheid. In weinig vakken ben je zo zichtbaar als in turnles. Je lichaam, je prestaties, je fouten. Wat in de lagere school nog speels is, kan in het secundair plots voelen als “voor het publiek moeten falen”, ook door de psychologische veranderingen bij de kinderen.
Op die manier verandert de turnles voor een deel van de leerlingen van een plek waar je graag bent naar een plek die je liever vermijdt. En dat blijft niet zonder gevolgen. Het beïnvloedt hoe ze later naar bewegen kijken, maar ook – en dat is misschien nog interessanter – hoe ze zelf les zullen geven. Want deze studenten kunnen ook toekomstige leerkrachten zijn.
Betekent dit dat het vak zelf het probleem is? Nee. Integendeel, de studie bevestigt ook het potentieel van LO. Wanneer lessen gevarieerd zijn, wanneer er ruimte is voor samenwerking, wanneer er minder nadruk ligt op vergelijken, dan blijven positieve ervaringen overeind. Het probleem zit dus niet in wat LO kan zijn, maar in hoe het soms/vaak wordt ingevuld.
Tegelijk is enige voorzichtigheid nodig. Dit is geen grootschalige effectstudie. Het gaat om een relatief kleine groep studenten, enkel vrouwen trouwens, die retrospectief terugkijken op hun schooltijd. Dat betekent: geen harde causaliteit, geen veralgemening naar alle contexten.
Maar dat maakt het onderzoek niet minder relevant. Integendeel. Dit soort kwalitatieve studies doet iets wat grote datasets vaak niet kunnen: ze tonen mechanismen. Ze maken zichtbaar hoe concrete praktijken – evalueren, groeperen, activiteiten kiezen – samen een ervaring vormen. Geen abstracte “effecten”, maar herkenbare situaties uit de klas.
We weten al langer dat motivatie, zelfbeeld en participatie in beweging ongelijk verdeeld zijn. Wat studies zoals deze toevoegen, is een beter begrip van hoe dat ontstaat. Niet door één verkeerde keuze, maar door een opeenstapeling van kleine, vaak goedbedoelde beslissingen. De verandering in hoe leerlingen naar turnles kijken, zit niet enkel in de leerlingen zelf. Ze zit ook in de manier waarop wij het vak organiseren.
Afbeelding: https://www.pexels.com/photo/students-practicing-with-volleyball-balls-15149190/