We maken allemaal fouten. Nee, echt. Als we iets berekenen, bij het schrijven van een e-mail, of in een gesprek met iemand. Je kan dan denken dat je het juiste antwoord weet en dan zien dat je toch mis blijkt te zitten. Maar wat gebeurt er eigenlijk nadat we een fout maken? En verandert dat naarmate we ouder en misschien wijzer worden?
In een nieuwe studie van onderzoekers van KU Leuven en de Universiteit van Graz onderzochten Eveline Jacobs en collega’s precies dat. Meer dan vierhonderd deelnemers, van 7-jarige kinderen tot volwassenen, kregen rekentaken voorgeschoteld waarbij de onderzoekers niet alleen keken naar de juiste antwoorden, maar ook naar hoe mensen reageren wanneer ze een fout maken.
Een bekend fenomeen in de cognitieve psychologie is post-error slowing. Vrij vertaald: na een fout gaan mensen vaak iets trager werken. Dat lijkt logisch. Je maakt een fout, beseft dat er iets misging, en wordt voorzichtiger. De onderzoekers vonden dat dit effect bij alle leeftijden voorkwam. Zowel kinderen als volwassenen vertragen nadat ze een fout hebben gemaakt. Maar er zat een opvallend verschil in de grootte van dat effect. De jongste kinderen deden dat het meest. Naarmate de leeftijd toenam, werd die vertraging kleiner en stabiliseerde ze vanaf de adolescentie.
Dat lijkt misschien alsof oudere leerlingen minder leren van fouten, maar waarschijnlijk is het omgekeerde waar. De auteurs vermoeden dat jonge kinderen vooral reactief werken. Ze maken een fout en reageren daarop. Oudere kinderen en volwassenen lijken vaker proactieve strategieën te gebruiken. Zij wachten minder tot een fout zich voordoet en proberen problemen vooraf al te voorkomen.
Nog interessanter werd het wanneer de onderzoekers keken naar prestaties. Bij de 7- en 8-jarigen hing die vertraging na fouten samen met betere resultaten. Kinderen die meer tijd namen nadat ze een fout hadden gemaakt, presteerden doorgaans beter. Bij oudere leerlingen en volwassenen verdween dat verband grotendeels.
Dat suggereert dat het vertragen na een fout vooral op jonge leeftijd een nuttige strategie is. Voor oudere leerlingen lijkt het minder belangrijk te zijn. Zij beschikken mogelijk over andere manieren om hun denken te reguleren.
De onderzoekers bekeken ook iets anders: hoe goed deelnemers konden inschatten of hun antwoord juist was. Dat noemen we metacognitieve monitoring. Met andere woorden: weet je wanneer je iets weet, en weet je wanneer je twijfelt? Dat bleek veel consistenter samen te hangen met prestaties. Over vrijwel alle leeftijdsgroepen heen presteerden deelnemers beter wanneer ze accurater konden inschatten of hun antwoord correct was. Dat resultaat sluit mooi aan bij eerder onderzoek. Succesvolle leerlingen zijn vaak niet alleen degenen die veel weten, maar ook degenen die redelijk goed kunnen beoordelen wat ze weten en wat ze nog niet beheersen.
Betekent dit nu dat leerkrachten kinderen moeten leren om na elke fout trager te werken? Nee. Daarvoor gaat het onderzoek niet ver genoeg. Het toont vooral dat jonge kinderen die na fouten even vertragen doorgaans beter presteren. Het belangrijkste praktische inzicht zit wellicht elders.
Fouten zijn niet zomaar mislukkingen. Ze leveren informatie op. Wat goede leerlingen onderscheidt, is niet dat ze nooit fouten maken, maar dat ze er iets mee doen. Bij jonge kinderen lijkt dat soms letterlijk te betekenen dat ze even vertragen. Bij oudere leerlingen lijkt het meer te gaan om het vermogen om vooraf al in te schatten wanneer extra aandacht nodig is.
Dat maakt deze studie geen revolutionaire doorbraak. Maar ze biedt wel een interessant inkijkje in hoe de relatie tussen fouten, zelfregulatie en leren verandert naarmate we ouder worden. Leren van fouten blijkt dus niet één vaardigheid. Het is iets dat zelf mee evolueert tijdens het opgroeien.